Er rijden steeds meer elektrische auto’s op de weg en laadinfrastructuur is vaker zichtbaar in het straatbeeld. Hoewel het aantal laadpalen op de openbare weg toeneemt, is een eigen laadpaal op de oprit voor de deur natuurlijk erg makkelijk. Zo dacht ook een hotel in Breda dat een acculaadstation met Tesla Superchargers op eigen terrein plaatste. In een uitspraak van 3 mei jl. laat de rechtbank Zeeland-West-Brabant zich uit over de vraag of voor het plaatsen van enkele snellaadpalen op eigen terrein een vergunning is vereist, en waar daarbij de grens ligt.

Waar ging de zaak over?

Naar aanleiding van het plaatsen van het snellaadstation op het terrein van het hotel in kwestie dienen omwonenden een handhavingsverzoek in bij het college van burgemeesters en wethouders van Breda. De bezwaren van omwonenden waren tweeledig. Enerzijds menen zij dat deze laadpalen dusdanig planologisch relevant zijn dat zij daarmee vergunningplichtig zijn. Anderzijds betogen zij dat met de realisatie van de voorziening de maximale bouwmogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan worden overschreden.

Het college wijst het handhavingsverzoek af en stelt zich daarbij op het standpunt dat de bouwwerken ten behoeve van het opladen van accu’s van voertuigen vergunningvrij zijn, omdat zij zouden kwalificeren als een ‘bouwwerk ten behoeve van infrastructurele of openbare voorziening’, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 18, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Hoe oordeelt de rechtbank?

Daarvoor is het allereerst van belang om te weten dat artikel 2 regelt dat bouwwerken kunnen worden gebouwd, zonder omgevingsvergunning voor het bouwen (artikel 2.1, lid 1, onder a, Wabo) en in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, lid 1, onder c, Wabo). Het gaat in deze zaak over categorie 18, waarin de volgende vergunningvrije activiteit is aangewezen: “een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het betreft:

(..)

b. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van (..) het opladen van accu’s van voertuigen) .

De rechtbank laat zich uit over de vraag of de activiteit kan worden geschaard onder deze categorie uit het Bor. Daarbij volgt de rechtbank het college in zijn standpunt dat sprake is van een infrastructurele en openbare voorziening, nu de voorziening door iedere Tesla-gebruiker kan worden aangewend. Verder wordt het opladen van accu’s van voertuigen expliciet genoemd in artikel 2, onder 18, sub b, van bijlage II bij het Bor. Dat maakt volgens de rechtbank echter niet dat daarmee automatisch sprake is van een vergunningvrij bouwwerk. Nu in het artikel geen maatvoering of omvang is vermeld, leidt de rechtbank uit de onder 18 van artikel 2 genoemde voorbeelden (zoals een container voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen) en de daarbij genoemde afmetingen, af dat het om kleinschalige voorzieningen moet gaan.

De rechtbank maakt dus de omvang van de voorziening relevant voor de vraag of de voorziening onder de categorie vergunningvrij bouwen kan worden geschaard. Op dit punt volgt de rechtbank het standpunt van het college juist niet en neemt daarbij het geheel van laadpalen en transformatoren in ogenschouw. Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, bestond het laadstation uit twaalf laadpalen, acht transformatoren en een grote transformatorkast. Tijdens de zitting bestond het laadstation inmiddels uit zestien laadpalen.

Gelet op de volledige omvang van het laadstation oordeelt de rechtbank vervolgens dat de voorziening niet kan worden aangemerkt als vergunningvrij. Ondanks dat laadpalen in beginsel vergunningvrij zijn en in artikel 2, onder 18, sub b, van bijlage II bij het Bor geen maatvoeringen worden genoemd, leidt de rechtbank uit de genoemde voorbeelden van bouwwerken in artikel 2, onder 18, af dat het artikel hier doelt op kleinschalige voorzieningen. Van een kleinschalige voorziening is in dit geval geen sprake meer. De rechtbank betrekt daarbij de planologische impact van het laadstation. De rechtbank houdt in dat verband bijvoorbeeld rekening met het geluid dat de transformatoren produceren en met de verkeersaantrekkende werking van het openbare en voor een ieder toegankelijke laadstation.

Kortom, de bouw van een openbaar snellaadstation van enige omvang op eigen terrein is naar het oordeel van de rechtbank vergunningplichtig. Wij zijn benieuwd of tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld, en hoe de Afdeling tegen deze problematiek aankijkt.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2410.