Voor de realisatie van de energietransitie moet het gebruik van aardgas in Nederland drastisch omlaag. Om dat te verwezenlijken moeten onder meer de circa 8 miljoen gebouwen in Nederland, waarvan ongeveer 95% een verwarming heeft die aardgas gebruikt, van het aardgas af. Daarnaast mag de nieuwbouw in beginsel niet meer op het aardgas worden aangesloten. Dat betekent dat er andere energiebronnen nodig zijn om onze huizen te verwarmen en van warm water te voorzien. Het lijkt er op dat warmtepompen hiervoor veelvuldig ingezet zullen worden. Uit een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 april 2020 blijkt aan welke geluidsnorm de gemeente de aanvraag van een dergelijke omgevingsvergunning die in strijd komt met het bestemmingsplan kan toetsen.

Waar ging de zaak over?

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: het college) verleent een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een warmtepomp op het erf van een nieuwbouwwoning. De omgevingsvergunning wordt verleend voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan. De warmtepomp is namelijk 40 cm hoger dan planologisch is toegestaan. Als voorwaarde geldt daarom onder meer dat het plaatsen van de warmtepomp niet in strijd komt met de goede ruimtelijke ordening (artikel 2.12 lid 1 sub a, onder 2° Wabo). Om aan deze voorwaarde te voldoen heeft het college aan de omgevingsvergunning als voorschrift verbonden dat het geluidniveau maximaal 35 dB(A) op de gevel van de buurwoningen mag zijn.

De buurtbewoners voeren in beroep aan dat de omgevingsvergunning in strijd met de goede ruimtelijke ordening is verleend. Het college heeft volgens hen onvoldoende gemotiveerd waarom de voorgeschreven geluidsnorm – met name in de nachtelijke uren – onevenredige geluidhinder voorkomt. Ook menen de buurtbewoners dat het college ten onrechte de geluidhinder heeft gemeten op de gevel van de omliggende woningen. Zij voeren aan dat het college had moeten aansluiten bij de binnenkort in het Bouwbesluit op te nemen norm van 35 dB(A), waarbij de geluidhinder op de erfgrens en niet de geluidhinder op de gevel maatgevend is. De buurbewoners menen dat dit ook zou aansluiten bij de APV.

Oordeel rechtbank

De rechtbank gaat niet mee in het betoog van de buurtbewoners. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat de vraag of er sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening valt binnen de beleidsruimte van het college. De rechtbank overweegt dat het college deze beleidsruimte in redelijkheid heeft ingevuld door aan te sluiten bij de APV en de strengste (nachtelijke) geluidnorm van 40 dB(A), gecorrigeerd naar 35 dB(A) voor tonaal geluid, uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarnaast kan de omstandigheid dat er in de toekomst eventueel een geluidnorm in het Bouwbesluit wordt opgenomen, er niet toe leiden dat het college het geluid op de erfgrens had moeten meten. Er is geen regel die het college verplicht om aan te sluiten bij een eventuele toekomstige geluidnorm, aldus de rechtbank. Daarbij is in de APV alleen bepaald dat er geen sprake mag zijn van geluidhinder voor de omgeving, zodat ook de APV niet verplicht tot het meten van geluidhinder op de erfgrens. Verder heeft het college aan de hand van een deskundigenrapport toegelicht dat de warmtepomp in de nacht minder vermogen produceert en bovendien nooit op maximaal vermogen werkt. Gelet hierop heeft het college alle relevante omstandigheden in zijn afweging betrokken. Tot slot wijst de rechtbank er op dat een eventuele incidentele overschrijding van de geluidnorm niet betekent dat de overschrijding onevenredige hinder veroorzaakt. De rechtbank oordeelt daarom dat het college in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat met het plaatsen van de warmtepomp geen sprake is van  strijd met de goede ruimtelijke ordening en het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend.

Belang voor de praktijk

Als voor het plaatsen van een warmtepomp een omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan dan moet de gemeente toetsen of het plaatsen niet in strijd komt met de goede ruimtelijke ordening. De gemeente heeft dan beleidsruimte om te bepalen welk niveau van geluidhinder zij aanvaardbaar acht. De uitspraak van de rechtbank maakt duidelijk dat de gemeente hiervoor aansluiting mag zoeken bij de geluidnorm van 35 dB(A) voor tonaal geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierbij mag de gemeente de geluidhinder meten op de gevel van de buurwoningen.

Raadpleeg hier de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 april 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:1589) en vind hier meer informatie over de noodzaak gebouwen van het aardgas af te schakelen.