Zonneparken kunnen gemakkelijk tientallen hectaren landbouw- of plattelandsgrond beslaan. Deze projecten kunnen daarom een aanzienlijke ruimtelijke impact hebben. Uit onderzoek blijkt dat het voor de acceptatie van zonneparken uitmaakt of omwonenden bij het voorproces betrokken zijn, of zij zich serieus genomen voelen en of zij zelf financieel baat bij het park hebben. Om die reden vinden gemeenten en provincies het van belang dat energieprojecten op voldoende draagvlak in de omgeving kunnen rekenen. Duidelijk is inmiddels dat de Afdeling toetst aan deze verplichtingen (AbRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4209 en AbRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3580). Dat wordt nog eens bevestigd in een recente uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020.

Waar ging de zaak over?

Het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe (hierna: het college) verleent aan een ontwikkelaar een omgevingsvergunning voor de realisering van Zonnepark Hijken. omgevingsvergunning wordt verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Omdat het gaat om een buitenplanse afwijking (artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° Wabo), is een vvgb nodig van de gemeenteraad van Midden-Drenthe.

De eigenaresse van een legkippenhouderij en haar twee vennoten zijn het niet eens met de realisatie van het zonnepark. In hoger beroep voeren zij aan dat er onvoldoende lokaal draagvlak is voor dit project. Een van de voorwaarden voor de gemeenteraad van Midden-Drenthe om met het project in te kunnen stemmen, was juist dat de initiatiefnemer in de periode van de terinzagelegging van de ontwerp-vvgb zou aantonen dat er voldoende lokaal draagvlak is in de omgeving van het te realiseren zonnepark.

Daarnaast zou er sprake zijn van strijd met trede 3 van de Drentse zonneladder. De zonneladder is opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2014 en in de Omgevingsvisie. Uit trede 3 van de zonneladder volgt dat een grondgebonden zonnepark buiten bestaand stedelijk gebied alleen toelaatbaar is wanneer voor het zonnepark breed maatschappelijk draagvlak bestaat en wanneer het zonnepark betrokkenheid vanuit de directe omgeving heeft. Dit draagvlak ontbreekt volgens appellanten omdat zij bezwaren hebben tegen het project.

Oordeel Afdeling

De Afdeling gaat niet mee in het betoog van appellanten. Daartoe overweegt de Afdeling dat de initiatiefnemer contact heeft gezocht met direct omwonenden, met buurtverenigingen en met jeugdsozen. De initiatiefnemer heeft daarnaast een geldbedrag beschikbaar gesteld aan een nabijgelegen dorpshuis voor de aanschaf van een warmtepomp. Aan twee jeugdsozen heeft de initiatiefnemer obligaties in het zonnepark geschonken. Bovendien heeft de initiatiefnemer in samenwerking met een lokale energiecoöperatie financiële participatie voor geïnteresseerden in het project mogelijk gemaakt. Gelet hierop mocht de gemeenteraad naar het oordeel van de Afdeling de definitieve vvgb verlenen. Daarbij speelde ook het beperkte aantal zienswijzen tegen het project een rol.

De omstandigheid dat niet iedere omwonende van het zonnepark tevreden wordt gesteld, betekent niet dat er onvoldoende draagvlak in de omgeving is, zo oordeelde de rechtbank in eerste aanleg. Dit heeft de rechtbank volgens de Afdeling terecht overwogen. Bij projecten zoals dit zonnepark moet het bestuursorgaan een afweging maken tussen het belang van een duurzame energievoorziening in het kader van de energietransitie en de belangen van omwonenden. Het ontbreken van draagvlak bij direct omwonenden is in die belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. De Afdeling oordeelt daarom ook dat aan trede 3 van de provinciale zonneladder is voldaan.

Belang voor de praktijk

Deze uitspraak van de Afdeling is in lijn met vaste rechtspraak over bijvoorbeeld windparken. De Afdeling oordeelt daarin dat het bevoegd gezag een afweging moet maken tussen het belang dat is gemoeid met het realiseren van het windpark in verband met het streven naar een duurzame energievoorziening en de belangen van de omwonenden (bijvoorbeeld AbRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:301).

In andere rechtspraak zien wij ook dat de Afdeling oordeelt dat op grond van gemeentelijk beleid van initiatiefnemer kan worden verlangd dat hij (specifieke) inspanningen verricht die zijn gericht op het informeren van omwonenden en het verwerven of vergroten van maatschappelijk draagvlak voor de gewenste ontwikkeling. Het niet behoorlijk nakomen van een dergelijke verplichting kan voor het bestuursorgaan reden zijn de gewenste medewerking niet te verlenen (AbRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4209).

In deze uitspraak oordeelt de Afdeling dat initiatiefnemer wél voldoet aan de verplichting om draagvlak te creëren uit provinciaal ruimtelijk beleid en een door de gemeenteraad gestelde voorwaarde voor vvgb-verlening. Deze uitspraak geeft een goed beeld van de inspanningen van initiatiefnemer die draagvlak bevorderen. In combinatie met het gegeven dat tegen dit project een beperkt aantal zienswijzen waren ingediend, viel de belangenafweging tussen het belang van een duurzame energievoorziening in het kader van de energietransitie en de belangen van omwonenden, in het voordeel van de duurzame energievoorziening uit. Bovendien benadrukt de Afdeling hier nog eens dat er het ontbreken van draagvlak bij direct omwonenden niet zonder meer het meest zwaarwegend is in die belangenafweging.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020. ECLI:NL:RVS:2020:958.