Met de Regionale Energie Strategie (RES) maken de 30 afzonderlijke RES-regio’s samen met maatschappelijke partners, het bedrijfsleven en inwoners van die regio’s regionaal gedragen keuzes voor de opwekking van duurzame energie. Bijvoorbeeld over concrete locaties voor energieopwekking en de ruimtelijke inpassing van energie-infrastructuur. De RES is daarmee een belangrijk beleids- en uitvoeringsinstrument om regionale klimaatambities ‘bottom-up’ te realiseren. Overeenkomstig hetgeen is afgesproken in het Klimaatakkoord, monitort en evalueert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de voortgang en het doelbereik van de verschillende RES’en. In dat kader publiceerde het PBL recent de notitie Systematiek Monitor RES (hierna: PBL-notitie). Daarin zet het PBL uiteen welke afwegingskaders het zal gebruiken bij monitoring van de eerste fase van de concept-RES’en, vanaf 1 oktober 2020. Lees ook ons eerdere blogbericht over deze nieuwe uiterste aanleverdatum voor concept-RES’en. Vanwege de corona-crisis is de aanleverdatum aangepast. In dit blog gaan we in op de RES-monitoringssystematiek, waarbij de door het PBL geformuleerde afwegingskaders worden gekoppeld aan de doelen van de RES.

De doelen van de RES

Decentrale elektriciteitsopwekking op land

De decentrale overheden hebben in het Klimaatakkoord afgesproken om in 2030 gezamenlijk ten minste 35 TWh grootschalige hernieuwbare elektriciteit op land op te wekken. Van belang daarbij is dat kleinschalige installaties voor het opvangen en omzetten van zonne-energie (zon-PV), met een vermogen van 15 kW en minder niet meetellen voor de 35 TWh-doelstelling. De RES-regio’s worden in het Klimaatakkoord desalniettemin aangemoedigd om ook kleinschalig opgewekte elektriciteit uit zon-op-dak in de RES te betrekken. Om die reden zal de productie uit kleinschalig zon-PV zo goed mogelijk in beeld worden gebracht in de Monitor RES, zo volgt uit de PBL-notitie. Hetzelfde geldt voor de overige vormen van hernieuwbare elektriciteitsproductie die niet meetellen voor de regiodoelstellingen van 35 KWh, zoals elektriciteitsproductie uit biomassa, biogas en waterkracht. Het PBL wil dit zoveel mogelijk gedifferentieerd per regio en/of per gebied van de regionale netwerkbeheerders in kaart brengen. Dit doet het PBL ook om zicht te krijgen op de mogelijkheden van het bestaande elektriciteitsnetwerk en eventuele aanpassingen daarvan.

Regionale structuur warmte

Uit het Klimaatakkoord volgt dat de regio’s in hun RES ook aangeven hoe vraag, aanbod en infrastructuur van de warmte- en koudevoorziening in de betreffende regio samenhangen en wie daarbij betrokken zijn. Voor deze aspecten worden de RES-regio’s daarom geacht in een regionale structuur warmte (RSW) inzicht te geven in de mogelijke gevolgen van verduurzaming van de warmtevoorziening. In de RSW gaat het om bovengemeentelijke of bovenregionale aspecten van de Transitievisies Warmte (TVW). Elke afzonderlijke Nederlandse gemeente dient uiterlijk in 2021 een TVW op te stellen voor de verduurzaming van de warmtevoorziening van huizen en gebouwen.

Monitoringssystematiek RES’en

Volgens het PBL komt de monitoring van de RES’en niet neer op een beoordeling van individuele regio’s. Met de Monitor Concept-RES brengt het PBL het doelbereik voor 2030 in beeld en signaleert het wat op verschillende thema’s en schaalniveaus de belangrijkste knelpunten zijn. Het doel van de monitoring is om een nationaal overzicht te geven van de regionale inzet en de consequenties daarvan voor vier verschillende afwegingskaders of kijkrichtingen: kwantiteit, ruimtegebruik, energiesysteemefficiëntie en de mate van bestuurlijk draagvlak en maatschappelijke betrokkenheid.

Kwantitatief

Het kwantitatieve afwegingskader is gericht op de vraag in hoeverre de doelstelling van de grootschalige opwekking van 35 TWh aan wind en zon op land gerealiseerd zal worden. Het PBL geeft de voorkeur aan biedingen in de concept-RES’en in termen van vermogen (MW) per techniek per regio.

Voor regio’s waarin het RES-proces nog minder vergevorderd is, is de verwachting dat alleen een RES-bod in termen van commitment voor een bepaalde hoeveelheid elektriciteitsproductie (GWh) zal worden gegeven, zonder uitwerking naar vermogen per techniek. Uit de PBL-notitie volgt verder dat ook de beschikbare gegevens van het huidige opgestelde vermogen en van het vermogen waarvoor SDE-beschikkingen zijn verleend, daarvoor in aanmerking zullen worden genomen. Op basis van het voorgaande verwacht het PBL een conservatieve schatting te kunnen geven van de (totale) elektriciteitsproductie in 2030.

Voor de warmtetransitie zal de monitoring van de concept-RES zich richten op toetsing van de procesmatige voortgang. Met de RES-regio’s zijn immers nog geen specifieke kwantitatieve (sub)doelen afgesproken over de warmteopgave die in de RES moet worden vormgegeven. De Monitor RES zal daarom waar het gaat om de regionale structuur warmte vooral toetsen of en op welke manier de RES-regio’s de voorgeschreven processtappen hebben doorlopen. Deze processtappen zijn opgenomen in de Handreiking RES 1.1. Lees over de Handreiking RES 1.1 meer in ons eerder verschenen blog.

Ruimtegebruik

Ruimtegebruik in een RES ziet op de vraag in hoeverre de energetische opgave in een ruimtelijke opgave is vertaald, waarbij rekening wordt gehouden met bestaande functies en waarderingen van de ruimte en met toekomstige opgaven. De PBL-analyse voor ruimtegebruik wordt zowel op regionaal als op nationaal schaalniveau uitgevoerd. Op regioniveau biedt de monitoring inzicht over hoe individuele RES’en met conflicterende ruimteclaims omgaan. De analyse geeft op bovenregionaal niveau juist zicht op de trends in de ruimtelijke toepassing van hernieuwbare energie.

Energiesysteemefficiëntie

In het kader van energiesysteemefficiëntie zal het PBL onder andere onderzoeken wat de impact is van de RES’en op energiesystemen en -infrastructuur op decentraal en nationale niveau. Ook bovenregionale afstemming speelt daarbij een rol. Dit vanwege het feit dat bestaande elektriciteitsnetwerken nieuwe elektriciteitsinstallaties voor zonne- of windenergie niet zonder meer kunnen inpassen. De netwerkanalyses van Netbeheer Nederland vormen belangrijke input voor het in kaart brengen van de gevolgen van de RES’en op de energiesystemen.

Bestuurlijk draagvlak en maatschappelijke betrokkenheid

Op het gebied van bestuurlijk draagvlak zal de uiteindelijke besluitvorming plaatsvinden door gemeenteraadsleden, leden van Provinciale Staten en de algemene vergadering van waterschappen. Het PBL zal monitoren in welke fase dit besluitvormingsproces zich per regio bevindt. Daarbij zal het onderzoeken of alle bestuurlijke processen goed zijn doorlopen en of medeoverheden (provincies, gemeenten en waterschappen) akkoord zijn. Daarnaast houdt het PBL ook de mate van maatschappelijke betrokkenheid in het oog. Daarvoor zal onder andere worden bekeken welke mate van inspraak en/of participatie heeft plaatsgevonden, welke participatieprocessen hebben plaatsgevonden en welke maatschappelijke groepen zijn betrokken, aldus de PBL-notitie.

Raadpleeg hier de notitie Systematiek Monitor RES van het PBL.