De laatste jaren schieten zonneparken op landbouwgrond en in plattelandsgebieden als paddenstoelen uit de grond. Tegelijkertijd ontstaat lokaal maatschappelijke weerstand tegen besluiten over de aanleg van dergelijke parken. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 januari 2020 blijkt dat beroepsgronden die zien op de daadwerkelijke reductie van de CO2-uitstoot van het zonnepark, niet succesvol kunnen worden aangevoerd.

Waar ging de zaak over?

Het bestemmingsplan “Zonnepark Haarweg” voorziet op een perceel in een buitengebied van Wageningen in een zonnepark met een oppervlakte van 6,4 hectare. De raad wil hiermee bijdragen aan doelen voor de opwekking van duurzame energie. De Vereniging tot behoud van natuur en landschap in en om Wageningen stelt tegen dit bestemmingsplan beroep in bij de Afdeling. Zij voert daarbij aan dat het plan leidt tot een lagere CO2-reductie dan de raad veronderstelt. De gehanteerde emissiefactor voor CO2 uit 2015 is volgens de Vereniging achterhaald. Nu de beoogde mate van uitstootreductie niet kan worden gehaald, acht de Vereniging het plan onvoldoende gemotiveerd. De productie van grijze stroom zou namelijk minder CO2 -intensief zijn geworden. De raad verweert zich door te stellen dat het bestemmingsplan dat het zonnepark mogelijk maakt, evident meer bijdraagt aan het halen van de klimaatdoelen dan het niet vaststellen daarvan.

Oordeel Afdeling

De Afdeling oordeelt dat de aan het plan ten grondslag liggende motivering voldoende draagkrachtig is. In de stellingen van de Vereniging over de beperkte reductie van de uitstoot van CO2 ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad aanvullend onderzoek had moeten verrichten naar het nut en de noodzaak van zonne-energie. Daarbij vindt de Afdeling het van belang dat de vereniging niet voldoende heeft aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid van de stellingen van de raad dat de opwekking van grijze energie gepaard gaat met een zekere CO2-emissie en dat zonne-energie een effectieve wijze is om duurzame energie te produceren. De productie van duurzame energie past volgens de Afdeling in de gemeentelijke ambities en bovendien in de beleidsdoelstellingen van de raad. In de plantoelichting zijn immers de landelijke, de provinciale en de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid beschreven en daartoe behoort de ambitie om het aandeel hernieuwbare energieopwekking te vergroten. In dat licht heeft de raad volgens de Afdeling in redelijkheid een belangrijk gewicht toe kunnen kennen aan haar doelstelling om de productie van duurzame energie te verhogen. Ook als de vermindering van de CO2-uitstoot kleiner zou zijn dan de raad veronderstelt, is de motivering van het bestemmingsplan alsnog voldoende draagkrachtig.

Belang voor de praktijk

De Afdeling gaat niet snel mee met beroepsgronden over het nut en de noodzaak van duurzaamheidsprojecten. Het is wél raadzaam om in de toelichting op een bestemmingsplan voor een dergelijk project te verwijzen naar het duurzame beleid van gemeente, provincie en het rijk. De stelling dat de productie van grijze stroom minder CO2 -intensief is geworden, zal een duurzaamheidsproject dan niet snel dwarsbomen.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020.