Het Ministerie van IenW bereidt een verzamelbesluit voor ter implementatie van een aantal bepalingen van de gewijzigde kaderrichtlijn afvalstoffen. De te implementeren regels uit deze kaderrichtlijn beogen de circulaire economie te bevorderen. Met het besluit wordt het gescheiden inzamelen van specifieke stromen huishoudelijk afval geregeld, wordt de registratie- en meldplicht voor bepaalde bedrijven uitgebreid en komt er een meldplicht voor een nieuwe EU-database over zeer zorgwekkende stoffen in producten. Ook wordt het stortverbod voor gft-afval uitgebreid naar een stortverbod voor bioafval.

Nog meer gescheiden inzamelen van huishoudelijke afvalstromen

Ten eerste beoogt de richtlijn het gescheiden inzamelen van huishoudelijk afval door gemeenten te bevorderen, als gevolg waarvan betere milieuresultaten kunnen worden behaald. Nu de mogelijkheden voor recycling van afvalstoffen voor een belangrijk deel worden bepaald door de aard en samenstelling van de afvalstoffen, is het gescheiden houden hiervan een middel om zoveel mogelijk recycling en nuttige toepassing te bewerkstelligen.

Momenteel bestaan in Nederland al verschillende wettelijke en beleidskaders die het gescheiden inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen bevorderen. Zo heeft de gemeente op grond van de Wet milieubeheer de zorgplicht tot het gescheiden inzamelen van groente- fruit-, en tuinafval en hebben zij de mogelijkheid om te kiezen voor het gescheiden inzamelen van andere afvalstromen. Bij deze vrije keuze dienen zij wel rekening te houden met het landelijk afvalbeheerplan (LAP), aan de hand waarvan moet worden bepaald of voor een specifieke stroom huishoudelijk afval bronscheiding (scheiding bij de mensen thuis) dan wel nascheiding (scheiding door het afvalverwerkingsbedrijf) gewenst is. Verder richt ook het landelijke programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) zich op het optimaliseren van gescheiden afvalinzameling door gemeenten (met als doel een afvalscheidingspercentage van 75% in 2020) en het verminderen van reststromen voor verbranding.

De bepalingen van het Verzamelbesluit implementatie kaderrichtlijn afvalstoffen gaan verder en implementeren de gemeentelijke verplichting tot gescheiden inzamelen van de huishoudelijke afvalstromen bioafval, papier, metaal, kunststof, glas, textiel en gevaarlijke afvalstoffen, waaronder afgewerkte olie, en de afwijkingsmogelijkheden hiervan. Hiermee wordt scheiding bij de bron de hoofdregel.

De kaderrichtlijn voorziet in de mogelijkheid om in bepaalde gevallen af te wijken van het verplicht scheiden van deze afvalstromen, bijvoorbeeld wanneer gescheiden inzameling een averechts effect op het milieu oplevert, technisch (nog) niet haalbaar is of buitensporig hoge economische kosten met zich mee zou brengen. Per afvalstroom is beoordeeld of een uitzonderingsgrond uit de kaderrichtlijn in Nederland van toepassing zou kunnen zijn, vanwege lokale omstandigheden. In het verzamelbesluit resulteert deze beoordeling in uitzonderingsgronden voor de afvalstoffen kunststof, metaal en bioafval. Voor de overige afvalstromen papier, textiel en gevaarlijke afvalstoffen bestaat geen uitzonderingsgrond en blijft bronscheiding onverkort gelden.

Uitgebreidere registratie- en meldplicht afvalstoffen

Ook wordt met de implementatie van de richtlijn een uitgebreidere meld- en registratieplicht voor afvalstoffen van kracht, doordat enkele bepalingen aan het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen worden toegevoegd. Het gaat hierbij specifiek over afvalstoffen op bedrijfsniveau. Doel hiervan is het genereren van aanvullende gegevens ten behoeve van de handhaving van de afvalstoffenregelgeving in Nederland. Met het inwinnen van meer informatie ontstaat er verbeterd zicht op waar (gevaarlijke) afvalstoffen zich bevinden in onze economie, waardoor milieurisico’s verder kunnen worden ingeperkt en het afvalstoffenbeheer verder verbeterd kan worden.

Voor organisaties die zich bezighouden met de verwijdering of de nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen (bijvoorbeeld terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan) en waarvoor nog geen meldplicht aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA) gold, wordt deze in het leven geroepen. Verder worden, zoals nu al geldt voor vergunningplichtige inrichtingen, straks ook niet-vergunningplichtige inrichtingen geacht gegevens te verstrekken over de afgifte van stoffen, mengsels en voorwerpen die zijn ontstaan door de nuttige toepassing van gevaarlijke stoffen. Tot slot moeten secundaire ontdoeners van gevaarlijke afvalstoffen (afvalinzamelaars of verwerkers van afvalstoffen die zich vervolgens zelf van afvalstoffen ontdoen) die nog geen plicht hadden tot het doen van een ontvangst- of afgiftemelding, nu wel zo’n melding doen. Wanneer zij zich niet van gevaarlijke afvalstoffen ontdoen door afgifte, maar deze nuttig toepassen of verwijderen binnen de inrichting waar de afvalstoffen zijn ontstaan, zijn zij in de nabije toekomst ook gehouden dit te melden.

De Kaderrichtlijn afvalstoffen verplicht het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) ertoe informatie over de aanwezigheid in voorwerpen van stoffen die op de kandidaatslijst van zeer zorgwekkende stoffen (zzs) staan, gedurende de hele levenscyclus van de voorwerpen, inclusief de afvalfase, beschikbaar te maken via een databank. De aanwezigheid van zulke stoffen kan afvalstoffen namelijk ongeschikt maken voor recycling of reden geven om het gebruik van het recyclaat te beperken tot toepassingen waarvoor is aangetoond dat het risico van de zzs hierin verwaarloosbaar is. Ook deze verplichting wordt opgenomen in het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.

Van stortverbod gft-afval naar stortverbod bioafval

Afvalstoffen worden doorgaans nuttig toegepast of verbrand en mogen meestal niet worden gestort. Voor een aantal afvalstoffen geldt een stortverbod, vastgelegd in het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Ter implementatie van de Kaderrichtlijn wordt het begrip ‘gft-afval’ in het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen vervangen door ‘bioafval’. Dit zorgt in de praktijk voor een uitbreiding van het stortverbod. Het gaat daarbij om afvalstromen die nu soms nog gestort worden, zoals uitgeharde honing, rozenafval met steenwol, niet-verbrandbaar tuinafval, mosterd, mosselen of resten suiker uit tanks, terwijl deze materialen op een andere manier verwerkt kunnen worden. Zo winnen ook deze materialen aan circulariteit.

De gewijzigde kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn (EU) 2018/851) dient uiterlijk op 5 juli 2020 in de Nederlandse wetgeving te zijn geïmplementeerd.

Raadpleeg hier het concept-Verzamelbesluit implementatie kaderrichtlijn afvalstoffen en de bijbehorende toelichting.