Gebouwen zijn verantwoordelijk voor 40% van het energieverbruik en 36% van de CO2-uitstoot in Europa. Daarmee spelen gebouwen een grote rol in het toekomstige energie- en klimaatbeleid. De tweede herziening van de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD III) heeft als doel de energie-efficiëntie van gebouwen te verbeteren en brengt voor de lidstaten een aantal verplichtingen met zich mee, die uiterlijk 10 maart 2020 volledig geïmplementeerd moeten zijn. Dit heeft wijzigingen in het Bouwbesluit 2012 tot gevolg. In dit blog bespreken wij een aantal maatregelen uit EPBD III die met het wijzigingsbesluit geïmplementeerd worden.

Systeemeisen technische bouwsystemen

Allereerst bevat EPBD III bepalingen over de energieprestatie van technische bouwsystemen. Technische bouwsystemen zijn systemen in gebouwen voor bijvoorbeeld ruimteverwarming en -koeling, ventilatie, warm tapwater en ingebouwde verlichting. EPBD III schrijft lidstaten voor systeemeisen in te voeren ter verbetering van de energieprestatie van deze technische bouwsystemen.

In het Bouwbesluit 2012 waren al enkele energieprestatie-eisen voor technische bouwsystemen opgenomen. Door de wijziging omvatten de eisen nu alle systemen en worden de nieuwe systeemeisen uitgedrukt in de berekende primaire fossiele energie ten opzichte van de netto behoefte. Ook worden met het wijzigingsbesluit systeemeisen voor het installeren, dimensioneren, inregelen en instellen van technische bouwsystemen in het leven geroepen.

Nederland gaat de systeemeisen voorschrijven bij nieuwbouw. Hierdoor wordt voorkomen dat voor bestaande gebouwen strengere eisen gelden dan voor nieuwbouw, of dat later extra kosten moeten worden gemaakt om alsnog aan de systeemeisen te voldoen. Er worden geen energieprestatie-eisen vastgesteld voor gebouwautomatiserings- en controlesystemen voor lokale elektriciteitsopwekking.

Tot slot wordt het verplicht om de energieprestatie van technische bouwsystemen bij installatie, vervanging of verbetering te controleren en te documenteren. Deze documentatie wordt aan de gebouweigenaar overhandigd.

Temperatuurregulering met zelfregulerende apparatuur

Met het wijzigingsbesluit wordt gebruik van zelfregulerende apparatuur voor de temperatuur per kamer of verblijfsgebied voorgeschreven. De zelfregulerende apparatuur moet automatisch de verwarmings- en koelingsoutput van de systemen voor ruimteverwarming en ruimtekoeling kunnen aanpassen op basis van wisselingen in de binnentemperatuur (thermostatisch) en eventuele andere parameters op basis van (handmatig) vooraf ingevoerde instellingen.

Apparatuur die hieraan voldoet zijn bijvoorbeeld de kamerthermostaat en thermostatische radiatorknop. Deze apparatuur moet bij nieuwbouw of bij vervanging in bestaande bouw worden geïnstalleerd. De zelfregulerende apparatuur hoeft niet te worden toegepast indien de meerkosten voor het aanbrengen ervan meer dan 20% van de totale installatiekosten van het verwarmings- of koelingssysteem omvatten.

Laadinfrastructuur elektrische voertuigen

Het EPBD III bevat ook regels ter stimulering van elektrisch rijden. De wijzigingen van het Bouwbesluit volgen rechtsreeks artikel 8 lid 2 van de Richtlijn.

Een te bouwen of ingrijpend te renoveren gebouw met een woonfunctie met een parkeergelegenheid in het bouwwerk of buiten het bouwwerk op hetzelfde perceel, met meer dan tien parkeervakken, dient leidingdoorvoeren te hebben voor de aanleg van oplaadpunten voor ieder parkeervak. Te bouwen of ingrijpend te renoveren utiliteitsbouw met een parkeergelegenheid in het bouwwerk of buiten het bouwwerk op hetzelfde perceel, met meer dan tien parkeervakken, heeft ten minste één oplaadpunt voor het hele parkeerterrein en leidingdoorvoeren (met name goten voor elektrische kabels) voor oplaadpunten voor ten minste één op de vijf parkeervakken. Dit om de installatie van oplaadpunten voor elektrische voertuigen in een later stadium mogelijk te maken.

Zowel in geval van een ingrijpend te renoveren woonfunctie als ingrijpend te renoveren utiliteitsbouw, gelden de verplichtingen in geval van een parkeergelegenheid in een gebouw alleen als de renovatie betrekking heeft op de parkeergelegenheid of de elektrische infrastructuur van het gebouw. In geval van een parkeergelegenheid gelegen buiten het gebouw op hetzelfde perceel, gelden de verplichtingen alleen als de renovatie betrekking heeft op de parkeergelegenheid of de elektrische infrastructuur van de parkeergelegenheid. Een uitzondering bestaat wel indien de kosten voor de laadinfrastructuur meer dan 7% van de hele renovatie bedragen.

Bestaande utiliteitsbouw met een parkeergelegenheid in het bouwwerk of buiten het bouwwerk op hetzelfde perceel, met meer dan 20 parkeervakken, heeft met ingang van 2025 een door de lidstaat te bepalen minimumaantal oplaadpunten, maar tenminste één. Dit staat los van een op handen zijnde renovatie en dient dus hoe dan ook gerealiseerd te worden.

De gebouweigenaar wordt daarmee verplicht zich met het thema laadinfrastructuur te gaan bezighouden, maar kan dan al naar gelang de plaatselijke behoefte en de plaatselijke markt het werkelijk te realiseren aantal oplaadpunten zelf invullen. Naar verwachting speelt de verplichting per 2025 voor bestaande parkeergelegenheden bij 30.000-40.000 utiliteitsgebouwen.

Keuringsverplichting verwarmings- en airconditioningsystemen

Verwarmings- en airconditioningsystemen verbruiken veel energie. In EPBD III worden de keuringsverplichtingen voor deze systemen herzien. De huidige regeling voor de verplichte keuring voor airconditioningsystemen wordt met dit wijzigingsbesluit overgeheveld van het Besluit energieprestatie gebouwen naar het Bouwbesluit 2012. Daarmee wordt de gemeente het bevoegd gezag voor het handhaven van deze keuringsverplichting.

Een andere verandering is dat straks ook combinaties van verwarmings- en ventilatiesystemen en airconditionings- en ventilatiesystemen door een expert moeten worden gekeurd. Een dergelijke keuring leidt tot een keuringsrapport met advies voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie van het systeem. Dit rapport wordt aan de eigenaar of huurder overhandigd.

Het wijzigingsbesluit ziet ook op de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarin het Bouwbesluit 2012 in het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2021 zal opgaan. Het besluit ligt op dit moment tot 12 augustus 2019 voor ter internetconsultatie. In het najaar gaat het besluit naar de Tweede Kamer.

Raadpleeg hier de volledige tekst van het wijzigingsbesluit van 12 juli 2019.