De industrie stoot nog te veel broeikasgassen uit. Om in 2050 te komen tot een toonaangevende industrie met uitstoot van broeikasgassen van nagenoeg nul, maar waar vernieuwende bedrijven en initiatiefnemers nog steeds graag willen produceren en innoveren, zijn complexe systeemveranderingen nodig, die tegelijkertijd concurrentie- en synergievoordelen kunnen opleveren. De CO2-reductieopgave voor de industrie komt neer op circa 59% ten opzichte van 1990. Dat betekent dat de industrie richting 2030 nog 19,4 Mton moet reduceren. De opgave van de industrie is daarmee niet alleen in absolute zin groot, maar ook in vergelijking met de andere sectoren. Hoe gaan we dit realiseren?

Opbouw van nieuwe activiteiten

Ons land kent vijf industriële regio’s waar de energie-intensieve bedrijvigheid is geclusterd: Rotterdam/Moerdijk, Zeeland (Terneuzen en omstreken), Noordzeekanaalgebied, Noord-Nederland (Eemshaven-Delfzijl en Emmen) en Chemelot (regio Geleen). De twaalf grote energie-intensieve bedrijven, die samen verantwoordelijk zijn voor ruim 60% van de industriële CO2-uitstoot in Nederland, hebben sleutelposities in deze vijf industriële clusters. Veel bedrijven in deze vijf regionale clusters zijn voor hun bedrijfsactiviteiten afhankelijk van de ‘grote twaalf’.

De grote twaalf zijn onderdeel van de circa 300 inrichtingen die onder het Europese emissiehandelssysteem (ETS) vallen. De hoeveelheid emissierechten binnen het ETS (plafond) neemt in de tijd af met een reductiefactor: tot 2030 met 2,2% per jaar. Daarnaast zijn er circa 1.000 bedrijven die via convenanten (MEE en MJA) verplichten tot een energie-efficiënte (en daarmee CO2-besparende) bedrijfsvoering. Deze convenanten houden per 1-1-2021 op te bestaan. De overige bedrijven vallen onder de Wet milieubeheer, die bedrijven verplicht tot het nemen van energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder.

Voor de industrie van de toekomst is echter meer nodig. In de vijf regionale clusters zijn allerlei initiatieven in ontwikkeling die de transitie in de industrie via diverse technologiesporen tot stand kan brengen. Bijvoorbeeld procesefficiency en energiebesparing. De energetisch en vanuit duurzaamheidsperspectief beste verduurzaming van de industrie blijkt via directe inzet van duurzame energie: elektrificatie vanuit zon en windparken, inzet van geothermische warmte en duurzame restwarmte voor verwarming van huizen en gebouwen en CO2-levering aan tuinbouwkassen. Waar de inzet van deze energiedragers echter geen optie zijn, is groene waterstof een alternatief. In diverse industriële clusters zijn er plannen voor de grootschalige productie van groene waterstof. Ook staat versnelling van de circulariteit centraal, waarbij te denken valt aan plastics-recycling, biobased grondstoffen of steel2chemicals. Groene waterstof en circulaire economie zijn bij uitstek de thema’s waarop Nederland zich internationaal kan onderscheiden.

Carbon capture and storage (CCS) − het beperken van de CO2-uitstoot in de atmosfeer door deze onder de grond op te slaan − heeft in dit verband ook bijzondere aandacht alsook de financiering ervan. Bijvoorbeeld door CCS alleen in aanmerking te laten komen voor subsidie ingeval technieken, processen en sectoren geen kosteneffectief alternatief voor CCS kennen om emissies te reduceren.

Financieringsinstrumenten, waaronder CO2-heffing

De kosten van deze verschillende technieken lopen sterk uiteen. Het is daarom noodzakelijk met een ambitieus innovatieprogramma en voldoende publieke bijdragen in te zetten op kostenreductie van kansrijke technieken, aldus het Klimaatakkoord. Daarbij wordt ook de al eerder bekend gemaakte verbreding van de SDE+-subsidie per 2020 genoemd. De verbrede regeling vergoedt niet, zoals de SDE+, alleen de onrendabele top van de opwekking van duurzame energie, maar richt zich ook op CO2-reductie in andere sectoren, zoals de industrie. Hiermee komt − jaarlijks oplopend – in 2030 tot maximaal 550 miljoen euro beschikbaar voor stimulering van CO2-reductie in deze sector.

Belangrijk waar het gaat om de financiering van duurzaamheidsmaatregelen is de prijsprikkel in de vorm van een CO2-heffing op ‘vermijdbare CO2-uitstoot’, waarmee de Nederlandse industrie vanaf 2021 in feite te maken krijgt met een CO2-belasting. Eerst zullen bedrijven 30 euro betalen over elke ton CO2 die te veel wordt uitgestoten. Dit bedrag kan oplopen tot 150 euro per ton in 2030. De heffing heeft niet als doel om extra inkomsten te genereren voor de overheid, maar juist om bedrijven aan te zetten om in Nederland uitstoot reducerende investeringen te doen. De middelen die via deze heffing eventueel worden opgehaald, zullen worden benut voor vergroening van de industrie.

De introductie van een CO2-heffing voor de industrie vergt nieuwe wetgeving en zal onder de Algemene wet inzake rijksbelastingen vallen. Daarbij zal worden aangegeven welke nadere details bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kunnen worden uitgewerkt.

Noodzaak van internationale afspraken

Nederland gaat niet per se méér doen dan andere landen, maar voert de nodige maatregelen sneller in. Door dit beleid kan de Nederlandse industrie met hulp van de overheid sneller inspelen op nieuwe marktkansen en een voorsprong opbouwen in de internationale economische transitie die momenteel vorm krijgt. Het beleid is gericht op het voorkomen van grote schokken en stoelt op de gedachte dat langer wachten steeds hogere kosten voor industrie, overheid en burger met zich meebrengt.

Tegelijkertijd concurreert de Nederlandse industrie internationaal en wil zij verzekeren dat allerlei maatregelen die zij treft in het kader van de nationale klimaatdoelstellingen niet ten koste gaan van de internationale concurrentiepositie. Deze concurrentiepositie wordt bepaald door een mix aan factoren die zowel positief als negatief kunnen uitwerken: energieprijzen, arbeidsmarktfactoren, geografische omstandigheden, beleidsmaatregelen en (fiscale) wet- en regelgeving. In samenhang vormen ze het huidige ‘level playing field’. Maatregelen moeten passen binnen het ‘level playing field’. Periodiek zal het kabinet ontwikkelingen in het speelveld blijven monitoren om een aantrekkelijk vestigingsklimaat, bedrijvigheid en banen in Nederland te behouden. Bovendien kunnen met een verschuiving van industriële activiteit naar het buitenland weliswaar de nationale doelstellingen gerealiseerd worden, maar is door toenemende uitstoot in het buitenland het klimaat niet geholpen.

Daarom wordt onder meer ingezet op samenwerken aan een Europese ‘roadmap’ en actieplannen voor een klimaatneutrale industrie in Europa; een minimum-ETS-prijs, gecombineerd met maatregelen om weglek naar andere delen van de wereld te voorkomen; het verhogen van de CO2-reductiedoelen naar 55% en het actief inzetten voor de steun van andere koploperlanden in het verhogen van de CO2-reductiedoelen, waarbij in de versnelling van de transitie gezamenlijk wordt opgetrokken.

Raadpleeg hier het Klimaatakkoord, hoofdstuk C3 Industrie.