Het Klimaatakkoord is duidelijk: de sectortafel Gebouwde omgeving heeft de opdracht om de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving met 3,4 megaton te verlagen. Daarvoor moeten in 2030 1,5 miljoen woningen zijn verduurzaamd. In de gebouwde omgeving is het aardgasvrij maken van woningen en andere gebouwen daarbij één van de grootste opgaven. Gemeenten moeten de komende jaren plannen maken hoe ze hun wijken gaan aanpakken, waarbij zij in voldoende mate zullen moeten optrekken met de bewoners en gebouweigenaren zelf. Lees daarover ook ons eerdere blog. Hoe zit het met de bekostiging van de noodzakelijke aanpassingen en verbouwingen? En welke financieringsmogelijkheden noemt het Klimaatakkoord daarbij?

Aardgas wordt duurder, elektriciteit goedkoper

Partijen bij het Klimaatakkoord kondigen ten eerste een aanpassing van de energiebelasting aan. De belasting op datgene wat we minder willen gebruiken − aardgas – wordt stapsgewijs verhoogd. Dit in combinatie met een lagere belasting op datgene wat we méér nodig gaan hebben: elektriciteit. Het kabinet kiest voor een variant waarin het energiebelastingtarief van de eerste schijf voor aardgas toeneemt met 4 cent per m³ in 2020 en 1 cent per m³ in de zes jaren daarna. Alle extra middelen die op deze manier worden opgehaald worden teruggegeven via belastingvermindering en een lager energiebelastingtarief van de eerste schijf voor elektriciteit. Zo moet het dubbel zo interessant worden om gas uit de woning te bannen. Dit ten gunste van bijvoorbeeld een warmtepomp of een elektrische kookplaat.

Warmtefonds en gebouwgebonden financiering

Waar het gaat om de noodzakelijke investeringen die burgers zelf moeten doen ten behoeve van de verduurzaming van hun eigen woning, is woonlastenneutraliteit het uitgangspunt. Het Klimaatakkoord kondigt in dit verband een concrete actie aan: de oprichting van een warmtefonds, bestemd voor particuliere woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaren. De overheid wil het fonds vullen met publieke en private middelen. Het kabinet stelt hiervoor tot 2030 jaarlijks €50 miljoen tot €80 miljoen beschikbaar. Aangevuld met private middelen kan deze financieringsportefeuille groeien naar meer dan een miljard euro.

Dit fonds zou het mogelijk moeten maken dat mensen die nu op grond van de leennormen moeilijk of geen financiering kunnen krijgen, toch een lening kunnen afsluiten om de verduurzaming van hun woning te bekostigen. Een woningeigenaar mag uit het fonds maximaal €25.000 lenen, met een aflossingstijd van (maximaal) 20 jaar en waarbij rekening wordt gehouden met de technische levensduur van installatie- en isolatiemaatregelen.

Het idee is dat mensen als aflossing voor hun lening alleen betalen wat ze besparen op de energierekening. Wie door isolatie of door een warmtepomp bijvoorbeeld enkele honderden euro’s per jaar minder kwijt is aan stookkosten, lost alleen dat bedrag af op de lening. Zo moet de investering terugverdiend worden als gevolg van een lagere energierekening, blijven woningeigenaren dezelfde energierekening betalen en zijn zij in beginsel geen extra geld kwijt, aldus het Klimaatakkoord. Waar de kosten wel hoger zijn dan het voordeel dat op de energierekening wordt geboekt, is het kabinet voornemens om met gerichte ondersteuning te komen. In het najaar volgt meer informatie over het fonds.

Voorts zal de Rijksoverheid het Burgerlijk Wetboek aanpassen zodat een gebouwgebonden financiering mogelijk wordt. De intentie is om dat die aanpassing voor 2022 gereed is. De financiële sector zal parallel aan het wetgevingstraject, en voor 2022, een voorstel doen voor een gebouwgebonden financieringsproduct ook zonder fiscale facilitering voldoende aantrekkelijk zal zijn voor woningeigenaren.

Mogelijkheden voor opschaling en kostenreductie

Dit alles tegen de achtergrond dat de grotere gebundelde vraag kansen biedt voor het ontwikkelen van een efficiënter en goedkoper aanbod van duurzame oplossingen. Mede door de uitgebreidere mogelijkheden voor technische en organisatorische innovaties, kennis opgedaan bij de Proeftuinen Aardgasvrije Wijken en het tenderen van grotere aantallen renovaties. De bedoeling is dat marktpartijen in afstemming met consumentenorganisaties voor de meest kenmerkende woning- en gebouwtypen zoveel mogelijk arrangementen ontwikkelen: gestandaardiseerde of industrieel vervaardigbare pakketten voor energiebesparing en duurzame energie- en warmteoplossingen.

Bij de financiering en subsidiëring zullen ook gedifferentieerde standaarden voor de jaarlijkse netto warmtevraag per type woning een rol gaan spelen. In ieder geval voor de dominante, dan wel kenmerkende typen woningen in Nederland, kunnen dergelijke standaarden aangeven wat een ‘verstandige’ verduurzaming is. Deze worden voor eigenaar-bewoners niet dwingend voorgeschreven, maar zijn vooral bedoeld om duiding te geven over de gewenste energieprestaties. Een verbouwing tot aan zo’n standaard voor de gehele woning, kan de grondslag zijn voor aanspraak op subsidie. Dit vooruitlopend op de wijkgerichte aanpak waarmee woningen op alternatieve warmtebronnen worden aangesloten. De mogelijkheden hiertoe worden nu verkend.

Nu niet iedereen bij verduurzaming de hele woning verbouwt, maar vaak ook één of enkele bouwdelen worden aangepakt (zoals dak, gevel, vloer), worden ook streefwaarden gegeven voor isolatie en benodigde ventilatie. De standaard en de streefwaarden worden uiterlijk 1 juli 2019 vastgesteld. De Rijksoverheid zal deze integreren in bestaande methodieken zoals het Bouwbesluit (na inwerkingtreding van de Omgevingswet het Besluit bouwwerken leefomgeving), het Energielabel en de huurprijsregelgeving.

Onder de verschillende afspraken die partijen in het Klimaatakkoord maken over financieringsvormen, worden onder meer woningtaxaties genoemd. Deze worden standaard voorzien van een beschrijving van de mogelijk te nemen energiebesparende maatregelen en bijbehorende investeringen, de meerwaarde van een onderpand na realisatie en een indicatie van de energielastenbesparing. Zo worden kopers en woningeigenaren in een zo vroeg mogelijk stadium gestimuleerd om tot verduurzaming over te gaan.

Nieuwbouw nu al zoveel mogelijk aardgasvrij

Per 1 juli 2018 is de Gaswet veranderd, naar aanleiding van het Wetsvoorstel voortgang energietransitie (Wet Vet). Hierdoor krijgen nieuwe gebouwen voor kleinverbruikers (< 40 m3 gas/uur), zoals woningen en kleine bedrijfsgebouwen, geen gasaansluiting meer, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om toch een gasnet aan te leggen De wetswijziging heeft invloed op nieuwe gebouwen waarvan de bouwvergunning is aangevraagd op of na 1 juli 2018. Lees meer over de wetswijziging in ons eerder verschenen blog.

Veel plannen voor nieuwbouw zaten echter al in de pijplijn. Partijen vinden het wenselijk om de projecten die in voorbereiding zijn of reeds goedgekeurd zijn mét aardgasaansluitingen zoveel als mogelijk aan te passen naar aardgasvrije nieuwbouw. Partijen werken toe naar het aardgasvrij realiseren van 75% van de totale nieuwbouw in de periode van 1 juli 2018 tot eind 2021. Het Nationaal Energiebesparingsfonds (NEF) is voornemens om eind januari 2019 een leenfaciliteit aan te bieden voor kopers van nieuwbouwwoningen die deze alsnog aardgasvrij willen maken, mits de juiste afspraken hiervoor met relevante partijen voor die tijd gemaakt zijn.

Raadpleeg hier het definitieve Klimaatakkoord, hoofdstuk C1.