Het begrenzen van de klimaatverandering vraagt om een vermindering aan CO2-emissies door het elektriciteitssysteem: de fossiele bronnen van elektriciteit worden vervangen door hernieuwbare bronnen. Deze transitie is al volop gaande. Denk aan alle wind- en zonneparken op land, wind op zee en zonnepanelen op daken. Het Klimaatakkoord laat zien dat deze transitie in de versnelling gaat. Dat is nodig om te kunnen voorzien in de extra behoefte aan hernieuwbaar opgewekte elektriciteit als gevolg van elektrificatie in de andere sectoren (mobiliteit, landbouw, gebouwde omgeving en industrie). Hoe gaat de sectortafel Elektriciteit met deze uitdaging om? Het Klimaatakkoord geeft antwoord!

De opgave en ambitie 2030

Nederland streeft naar 49% broeikasgasreductie in 2030 ten opzichte van 1990. Lees over de doelstellingen ook ons eerder verschenen blog. Deze opgave is verdeeld over de verschillende sectortafels. Het doel voor de elektriciteitssector is om in 2030 de CO2-emissies met ten minste 20,2 Mton te verminderen. Daarnaast zal de elektriciteitssector moeten voorzien in levering van CO2-vrije elektriciteit aan de andere sectoren, als gevolg van de elektrificatie in deze sectoren.

Concreet streeft het Klimaatakkoord naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh. Dat is het basispakket. Is sprake van een grotere vraag naar elektriciteit uit andere sectoren? Of wordt ingezet op het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 55% (in plaats van 49%) in 2030 ten opzichte van 1990? Dan komt het zogenoemde 55%-pakket in zicht. Het huidige ambitieniveau zal dan, onder de juiste randvoorwaarden, verhoogd kunnen worden van 84 TWh naar 120 TWh.

Hoe gaan we dat bereiken?

Het Klimaatakkoord beschrijft verschillende maatregelen om de overstap naar een duurzaam energiesysteem te kunnen waarmaken. Twee belangrijke maatregelen, wind op zee en hernieuwbare bronnen op land, worden hieronder kort besproken:

  • Wind op zee

De opstellers van het Klimaatakkoord zien een groot potentieel voor windenergie op zee. Dat blijkt ook wel uit de opgave: van de in totaal 84 TWh hernieuwbare elektriciteit, zal voor 2030 49 TWh door windturbines op zee worden opgewekt. Daarmee wordt ten minste de bestaande routekaart WOZ 2030 gerealiseerd. Onder voorwaarden, zoals voldoende ruimte voor natuur en visserij en goede afspraken over ruimtelijke ordening, zijn voor 2030 meer windparken op zee mogelijk. Dat kan aan de orde zijn wanneer het 55%-pakket nodig blijkt. De juridische instrumenten die het Klimaatakkoord noemt om deze ambitie verder uit te werken, zijn: de Noordzeestrategie 2030, Strategische Agenda, Rijksstructuurvisie Noordzee en kavelbesluiten.

  • Hernieuwbare energie op land

De ambitie voor hernieuwbare energie op land bedraagt 35 TWh in 2030. Uit de analyse van het PBL blijkt dat de verwachte productie van zon-PV en wind op land in het basispad reeds circa 17 TWh in 2030 bedraagt. De resterende opgave is techniekneutraal. De verwachting is dat de hernieuwbare elektriciteit met name door wind- en zonneparken zal worden opgewekt. De instrumenten die hiervoor ingezet worden, zijn: de Regionale Energiestrategieën (waarover in een later blogbericht meer) en de omgevingsvisies, omgevingsverordeningen, programma’s, omgevingsplannen en omgevingsvergunningen uit de Omgevingswet. Het Klimaatakkoord gaat uit van een strakke planning: niet alleen moet binnen één jaar de RES 1.0 gereed zijn, ook is het doel dat uiterlijk op 1 januari 2025 alle benodigde vergunningen zijn afgegeven. Dat sluit aan bij de afspraak dat de SDE+ tot en met 2025 voor nieuwe investeringen in hernieuwbare elektriciteitsopties beschikbaar is.

Het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen brengt grote (ruimtelijke) uitdagingen met zich mee. Participatie is van cruciaal belang voor het slagen van deze transitie. Het Klimaatakkoord doet dan ook handreikingen voor de invulling van participatie. Over dit onderwerp zal op een later moment een blogbericht verschijnen.

Raadpleeg hier het definitieve Klimaatakkoord, hoofdstuk C5.