Het ontwerp-Klimaatakkoord telt zeshonderd voorstellen met wat er in Nederland mogelijk is om de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen te verminderen. Zijn al die maatregelen voldoende om de gestelde klimaatdoelen te halen? Zijn ze specifiek genoeg, juridisch bindend en uit te voeren? En hoeveel gaat dat ons kosten? Het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) hebben deze en meer vragen de afgelopen twee maanden uitgeplozen. Op 13 maart 2019 presenteerden zij het resultaat aan minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en voorzitter van het Klimaatberaad, Ed Nijpels. Met een blogreeks informeren wij u de komende dagen over de inhoud daarvan. Vandaag besteden we aandacht aan de gebouwde omgeving.

Ruime bandbreedte haalbaarheid emissiereductie

Volgens het PBL vormt het pakket van afspraken in het ontwerp Klimaatakkoord voor de gebouwde omgeving een samenhangend geheel dat op belangrijke onderdelen nog verder zal worden uitgewerkt. In het concept-klimaatakkoord is voor de gebouwde omgeving een sectordoelstelling van 3,4 Mton CO2-emissiereductie gesteld.

Uit de doorrekening van het PBL volgt dat de CO2-emissies in de gebouwde omgeving in 2030 met 0,8 tot 3,7 Mton gereduceerd kunnen worden. Een zeer ruime bandbreedte dus. Waarbij de ondergrens ruim beneden de sectordoelstelling ligt en de bovengrens net boven de sectordoelstelling. Volgens het PBL is de ruime bandbreedte het gevolg van grote onzekerheden over de effecten van het pakket van afspraken.

Grote onzekerheden effecten pakket van afspraken

In de gebouwde omgeving zullen woningen en bedrijfsgebouwen door middel van een zogenaamde wijkaanpak aardgasvrij gemaakt moeten worden. Het PBL acht het daarbij een goede keuze dat gemeenten daarbij een coördinerende rol en doorzettingsmacht wordt gegeven. Het PBL acht het echter onduidelijk of de gemeenten voor die taken voldoende financiële middelen krijgen. Het tempo van de emissiereductie is ook afhankelijk van de besluitvorming in de gemeenten. Ook is het volgens het PBL onduidelijk hoe geborgd wordt dat gemeenten 1,5 miljoen woningen aanwijzen om voor 2030 aardgasvrij te worden.

Het PBL acht echter ook andere effecten van het pakket onzeker. Zo wordt in de dienstensector de onzekerheid vooral veroorzaakt door onduidelijkheid over de manier waarop de aangekondigde streefnorm zal worden uitgewerkt. De streefnorm kan worden ingevuld door een maximaal verbruik van primaire energie in kWh/m2 zijn, conform NTA8800, maar ook minimum isolatie-eisen of een verplicht maatregelenpakket. Naast de onzekerheid over de invulling van de streefnorm, acht het PBL de tijdige naleving daarvan ook niet gegarandeerd.

De voornaamste onzekerheden komen echter voort uit de woningsector.

Woningsector

De onzekerheden in de woningsector zien volgens het PBL met name op: a) de manier waarop subsidies worden verdeeld over type technieken, huur- en koopwoningen en over bewoners binnen de buurten waarvoor warmteuitvoeringsplannen worden vastgesteld, b) de looptijd van de beschikbare financieringsproducten, c) de mate waarin kostendaling wordt gerealiseerd en d) het tempo waarin uitvoeringsplannen worden vastgesteld en uitgevoerd.

Het PBL stelt dat er na 2022 onvoldoende subsidiebudget beschikbaar is om in 2030 1,5 miljoen gebouwen aardgasvrij te maken. Ook is het nog onzeker wat het effect is van de gebouwen met hybride warmtepompen, welke warmtepompen in beginsel mogen meetellen bij de 1,5 miljoen aardgasvrije gebouwen, maar er zijn nog geen afspraken gemaakt die garanderen dat het aardgas wordt vervangen door groengas. Nu het installeren van hybride warmtepompen een relatief goedkope manier is van CO2-reductie, is de verwachting dat veel partijen zullen kiezen voor deze optie. Mocht na er 2030 geen groengas beschikbaar komen, dan dienen die gebouwen echter alsnog om te schakelen naar een aardgasvrij alternatief.

Ten aanzien van de financiering merkt het PBL op dat ondanks het feit dat het uitgangspunt moet zijn dat de beoogde technische aanpassingen in gebouwen door iedere gebouweigenaar gefinancierd moeten kunnen worden en er verschillende financieringsopties in het ontwerpklimaatakkoord zijn meegenomen, er een onbekend aantal woningeigenaren geen financiering zal kunnen krijgen. Het is de vraag welke gevolgen dat zal hebben voor het aantal uitvoeringsplannen dat voor 2030 tot aardgasvrije woningen zal leiden. Het PBL veronderstelt dat gemeenten voor de wijkaanpak buurten zullen selecteren waar er weinig tot geen financieringsobstakels zullen zijn. In buurten met weinig financieringsobstakels kan de gemeente besluiten om de obstakels zelf weg te nemen of een andere buurt aanwijzen, indien het wegnemen onmogelijk is. Ook is het volgens het PBL nog niet duidelijk welke looptijden van leningen worden gehanteerd bij het vaststellen van subsidies.

Lees meer in de doorrekeningen van het PBL en CPB.

Nog meer weten? Ons volgende bericht gaat over wat de doorrekeningen melden over de industrie en bedrijven.