Isoleren is hot. Hoe beter woningen geïsoleerd zijn, hoe minder warmte verloren gaat via vloer, vensters, dak en buitenmuren. Zeker met het op handen zijnde Klimaatakkoord en de verwachte toename van de vraag naar energie de komende decennia, is energiebesparing misschien wel de eerste belangrijke stap naar verduurzaming. Voor de gewenste investeringen door burgers en bedrijven zijn – gelet op de hoge kosten die energiebesparende maatregelen vaak met zich meebrengen – de juiste (financiële) voorwaarden nodig. Daarom trad op 15 september 2016 de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis (de Regeling) in werking. De Regeling bepaalt dat kopers en Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) onder een aantal voorwaarden recht op subsidie hebben, wanneer zij energiebesparende maatregelen nemen. Dat deze regeling echter niet tot ieders tevredenheid stemt, blijkt uit de uitspraak die in dit blog centraal staat.

Wat was er aan de hand?

Een huiseigenaar wil energiebesparende maatregelen treffen in zijn woning en vraagt hiervoor op grond van de Regeling subsidie aan bij de minister van Wonen en Rijksdienst, inmiddels de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De minister kent de aanvraag toe waar het gaat om onder andere de vloerisolatie. Voor de gevelisolatie krijgt de huiseigenaar echter geen subsidie toegekend. Volgens de minister heeft het totaal aan isolatiemateriaal dat de aanvrager gebruikt voor de gevelisolatie een te lage ‘Rd-waarde’. De Rd-waarde is de door de fabrikant vermelde waarde die de warmteweerstand van het materiaal aanduidt. De Regeling schrijft voor dat de Rd-waarde minstens 3,5 m2K/W moet zijn. Hieraan voldoet het isolatiemateriaal (geëxpandeerd polystyreen, Spachtelputz en glasvezelweefsel) niet. Daarom kwalificeert deze energiebesparingsmaatregel niet als een ‘energiebesparende maatregel’ in de zin van artikel 4 van de Regeling. De mogelijkheid tot subsidieverlening ontbreekt om die reden.

Dit onderdeel van de beschikking stelt de aanvrager – eerst in bezwaar en vervolgens in beroep bij de rechtbank Limburg – ter discussie. De afwijzing blijft echter in stand, waarna hij zich tot de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) wendt.

De huiseigenaar voert in hoger beroep twee beroepsgronden aan. Allereerst stelt hij dat de Rd-waarde wel degelijk hoger is dan het minimumvereiste van 3,5 m2K/W. De spouwmuur die onderdeel uitmaakt van zijn isolatieconstructie is namelijk ten onrechte niet meegerekend. Dat spouw uit lucht bestaat, zou volgens appellant niet moeten uitmaken: lucht is immers een goed isolatiemateriaal. Bovendien is het begrip ‘materiaal’ niet omschreven in de Regeling. Waarom zou lucht hier niet onder vallen? Daarnaast voert hij meer in het algemeen aan dat de minister de subsidie hoger had moeten vaststellen als beloning voor alle inspanningen om zijn woning gasloos te maken.

Het oordeel van de Afdeling

Ook bij de Afdeling biedt dit betoog geen soelaas. De Afdeling stelt dat lucht op zichzelf bezien geen warmteweerstand kan bieden. Hierdoor heeft lucht geen Rd-waarde, waardoor het niet aan de definitie uit de Regeling voldoet. De situatie zou anders zijn wanneer naar de ‘Rc-waarde’ zou worden gekeken. De Rc-waarde drukt namelijk de warmteweerstand van een gehele constructie uit, waardoor de isolatieconstructie in zijn geheel op warmteweerstand zou zijn beoordeeld. In een constructie kan lucht namelijk inderdaad een goede isolator zijn. Deze weg heeft de wetgever echter niet gekozen. De Rc-waarde is enkel relevant voor de aanvraag van subsidie voor een ‘zeer energiezuinig pakket’ waarvoor de minister een extra subsidie kan toekennen. Een dergelijke subsidie is niet aangevraagd en om hiervoor in aanmerking te komen moet bovendien een samenhangend pakket maatregelen zijn genomen waarvoor aanvullende eisen gelden, onder meer ten aanzien van dakisolatie, triple-glas en kierdichtheid. Daar komt nog bij dat lucht in het normale spraakgebruik niet als een materiaal gezien wordt. Deze beroepsgrond faalt daarom.

Wat betreft de tweede beroepsgrond is de Afdeling kort en helder. De huiseigenaar kan niet een recht op (meer) subsidie ontlenen aan de inspanning die hij verricht om zijn woning gasloos te maken. Hier is immers geen wettelijke grondslag voor.

Conclusie

Kortom, men kan geen algemeen recht op subsidie ontlenen aan het enkele ‘nobele’ voornemen de woning gasloos te maken. Uit de uitspraak blijkt dat beloning in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor de inspanning om duurzame maatregelen te treffen alleen mogelijk is wanneer aan de strikte voorwaarden van de Regeling voldaan wordt. De nadruk die de wetgever voor energiebesparende maatregelen in de Regeling legt op de Rd-waarde van de isolatiematerialen heeft tot gevolg dat een isolatieconstructie voor de aanvraag van een subsidie energiebesparende maatregelen niet in zijn geheel wordt beoordeeld op de warmteweerstand. Elementen als lucht, die in principe isolerend kunnen werken in een constructie, worden daarom niet in de beoordeling betrokken.

Lees hier de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018.