Dit is het elfde deel van onze blogreeks over het ontwerp-Klimaatakkoord. In deze reeks bespreken wij verschillende onderwerpen waarover partijen aan de klimaattafels met elkaar afspraken hebben gemaakt. Deze blog gaat over de vraag wat met de maatregelen uit het ontwerp-Klimaatakkoord is beoogd. Over wat de omvang is van de emissiereductie die met deze maatregelen zou moeten worden bereikt, wanneer dat het geval zou moeten zijn en hoe zeker gesteld wordt dat deze doelen worden gehaald.

Emissiereductie in 2020, 2030 en 2050

In het Regeerakkoord is een emissiereductiedoelstelling opgenomen voor 2030 van 49% ten opzichte van 1990. De in het ontwerp-Klimaatakkoord opgenomen maatregelen zijn vooral bedoeld om deze doelstelling te realiseren. Het ontwerp-akkoord bevat echter ook maatregelen die gericht zijn op de langere termijn: de periode 2030-2050. Een duidelijk emissiedoestelling voor 2050 kent het ontwerp-Klimaatakkoord niet – een enkele maal wordt voor 2050 een doelstelling genoemd van 80-95% – maar duidelijk is wel dat beoogd is dat de omvang van de broeikasgasemissie in Nederland dan zeer beperkt is. Het ontwerp-Klimaatakkoord schetst in die zin een duidelijk perspectief voor de periode 2030-2050.

Het ontwerpakkoord kent geen doelstelling voor de periode tot eind 2020: de periode met betrekking tot welke de Staat op basis van het arrest van het hof Den Haag van 9 september 2018 (Staat/Urgenda) is veroordeeld om zodanige emissiereductiemaatregelen te nemen dat de Nederlandse emissies eind 2020 met 25% zijn afgenomen in vergelijking met het niveau aan emissies in 1990. Dat verrast niet omdat de partijen aan de klimaattafels primair hebben onderhandeld over maatregelen waarmee in 2030 de 49%-doelstelling kan worden gehaald. Ook is de uitspraak gedaan op een moment dat de onderhandelingen over het ontwerp-Klimaatakkoord al in een vergevorderd stadium verkeerden. Het ontwerp-Klimaatakkoord kent dus geen specifieke maatregelen die gericht zijn op de periode tot eind 2020.

Hoe zeker te stellen dat de reductiedoelstellingen worden gerealiseerd?

Het ontwerp-klimaatakkoord kent een veelheid aan instrumenten om te zorgen voor de realiseren van de klimaatdoelstelling voor 2030, waaronder:

  • De Regionale Energie Strategie (RES);
  • De opstelling van CO2-reductieplannen door de industrie;
  • De beoordeling door PBL van de ingediende CO2-reductieplannen. Zijn deze voldoende ambitieus om de doelstelling voor 2030 te realiseren?
  • De opstelling van regionale mobiliteitsplannen;
  • De opstelling van sectorale routekaarten gericht op het CO2-arm maken van vastgoed;
  • De introductie van een wettelijke eindnorm voor de energieprestatie van gebouwen. 

Klimaatwet

Er is nog één ander instrument dat van belang is bij de borging van de emissiereductieafspraken. Dat is de Klimaatwet. Het ontwerp ervan is eind 2018 aanhangig gemaakt in de Eerste Kamer. Zoals besproken in eerdere blogs, zijn in het wetsvoorstel niet alleen klimaatreductiedoelstellingen opgenomen voor 2030 en 2050. Ook zijn er diverse instrumenten geïntroduceerd om zeker te stellen dat deze doelstellingen worden gehaald, waaronder de opstelling van een klimaatplan en de verplichting om iedere twee jaar na de vaststelling ervan te rapporteren over de realisatie van de maatregelen die erin opgenomen zijn. Een ander voorbeeld is de klimaat- en energieverkenning die jaarlijks door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) moet worden opgesteld en waarin wordt gerapporteerd over de gevolgen van het gevoerde klimaatbeleid. Allemaal instrumenten om zicht te houden op de realisering van de reductiedoelstellingen en de keuzes die in dat kader worden gemaakt.

Lees hier verder in het ontwerp-Klimaatakkoord hoofdstuk B1 Eén doel: -49% in 2030.