Dit is het tweede deel van onze blogreeks over het ontwerp-Klimaatakkoord. In deze reeks bespreken wij verschillende onderwerpen waarover partijen aan de klimaattafels met elkaar afspraken hebben gemaakt. In dit bericht staat de CO2-minimumprijs voor de productie van elektriciteit centraal.

Een voorspoedige transitie naar een duurzaam elektriciteitssysteem vraagt om een effectief en samenhangend pakket van instrumenten en maatregelen. Eén van de instrumenten die het kabinet hiervoor wil hanteren is een nationale CO2-minimumprijs voor de productie van elektriciteit per 2020. Omdat de in het regeerakkoord al aangekondigde prijs de leveringszekerheid in gevaar zou brengen, zijn de partijen aan de elektriciteitstafel bedragen overeengekomen die ongeveer een kwart lager uitvallen dan oorspronkelijk beoogd: €12,30 per ton CO2 in 2020, tot €31,90 in 2030.

CO2-emissiehandel (ETS)

Het Europese marktinstrument voor emissiehandel, het Emissions Trading Scheme (ETS), is de hoeksteen van het Europese klimaatbeleid. Binnen het ETS is een plafond van emissierechten beschikbaar dat gelijkstaat aan de totale toelaatbare CO2-uitstoot. Het emissieplafond is afgeleid van de reductiedoelstellingen die de EU wil bereiken en gaat geleidelijk omlaag, waardoor de totale uitstoot op termijn aanzienlijk zou moeten verminderen.

Emissierechten geven bedrijven, waaronder elektriciteitscentrales, het recht om een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten (emitteren). Wanneer een bedrijf niet genoeg rechten heeft, moet het bijkopen. Bij minder CO2-uitstoot kan een bedrijf de overtollige rechten verkopen. Vragers en aanbieders handelen zo in emissierechten, als gevolg waarvan een CO2-prijs tot stand komt. Bedrijven maken op basis van die prijs een afweging wat het goedkoopst is: het inleveren van emissierechten of het treffen van uitstoot reducerende maatregelen.

CO2-minimumprijs voor elektriciteitsproductie

Een minimumprijs voor specifiek elektriciteitscentrales die door alle EU-landen samen wordt ingevoerd binnen het ETS, zou ervoor moeten zorgen dat het nemen van CO2-reductiemaatregelen in verhouding tot het inzetten van emissierechten voor deze sector financieel aantrekkelijker wordt. Met als gevolg vergroening van het productieproces en investeringen in hernieuwbare energie. Nu Europese besluitvorming trager en ingewikkelder is en voor een minimumprijs in andere invloedrijke landen minder animo was, stelde het regeerakkoord zelf over te gaan tot een nationale bodemprijs van €18,- per ton CO2 in 2020, oplopend tot €43,- in 2030. Met een robuuste, hogere CO2-prijs als ondergrens beoogde de regering de elektriciteitsmarkt wakker te schudden voor duurzame innovatie en grote vervuilers te raken in de portemonnee.

Leveringszekerheid

De nationale minimumprijs die de partijen aan de elektriciteitstafel voorstellen is echter afgezwakt ten opzichte van de voorheen aangekondigde minimumprijs. De partijen willen zo voorkomen dat de Nederlandse elektriciteitsproductie een forse knauw krijgt. In het geval van een hoge CO2-prijs, kunnen de grote elektriciteitsproducenten namelijk besluiten dat het investeren in groot onderhoud aan hun gascentrales niet meer de moeite waard is. Dit is ongunstig voor hun concurrentiepositie. Wanneer het uitgestelde onderhoud alsnog zou moeten plaatsvinden, kan dat al snel een à twee jaar duren. Dit terwijl burgers en bedrijven dienen te kunnen rekenen op een stabiel, betrouwbaar én in toenemende mate duurzaam opgewekt aanbod van elektriciteit. Experts, waaronder het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), geven aan dat een geleidelijk oplopend prijspad met een marge onder het prijspad van het ETS essentieel is om de leveringszekerheid te verzekeren, terwijl de zekerheid die dat de markt biedt tegelijkertijd een belangrijke prikkel geeft voor verduurzaming.

Verder gemaakte afspraken aan de elektriciteitstafel

Over de CO2-minimumprijs voor elektriciteitsproductie hebben de deelnemers aan de elektriciteitstafel verder overeenstemming bereikt op de volgende punten:

  • Partijen uit het Klimaatakkoord zetten zich binnen een gemeenschappelijk EU-kader in voor regionale samenwerking met de buurlanden om aan te sturen op een minimumprijs waaraan ieder geval ook Frankrijk, Duitsland en België zich willen verbinden. Het daarbij nog vast te stellen prijspad zal ambitieuzer van aard zijn dan het nationale.
  • Netbeheerder TenneT monitort ieder jaar risico’s met betrekking tot de leveringszekerheid van elektriciteit, steeds voor de daaropvolgende zes jaren, op basis van objectieve indicatoren. Opwaartse bijstellingen van het prijspad worden minimaal vijf jaar van tevoren aangekondigd en het prijspad wordt naar beneden bijgesteld, wanneer uit de monitoring blijkt dat er gedurende één of meerdere jaren risico’s voor de leveringszekerheid blijken te zijn.
  • In 2023 wordt het prijspad voor de periode na 2030 vormgegeven, op basis van de op dat moment beschikbare inzichten over het perspectief van hernieuwbare opwekking van elektriciteit na de stopzetting van de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+), het op dit moment belangrijkste subsidie-instrument voor de stimulering van de productie van hernieuwbare energie.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is akkoord met de prijstabel die is opgenomen in het ontwerp-Klimaatakkoord. Of het kabinet deze cijfers zal overnemen, is nog niet duidelijk.

Lees hier verder in het ontwerp van het Klimaatakkoord, hoofdstuk C5.8 Instrumentarium.