Bij windparken worden vaak sfeerwoningen aangewezen. Dat zijn woningen die toezicht houden op windturbines en zodoende behoren tot de inrichting die het windpark vormt. Voordeel? De regels uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn niet op deze woningen van toepassing. Een recente uitspraak maakt duidelijk dat hier ook risico’s aan verbonden zijn. Op 19 december 2018 heeft de Afdeling het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor de realisatie van windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding vernietigd.

Het project

Het project dat centraal staat in deze uitspraak is de realisatie van Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding. Het windpark bestaat uit zestien windturbines met een tiphoogte van maximaal 204 meter. Daarbij zijn 17 sfeerwoningen aangewezen. Bij besluit van 20 juni 2017 heeft de gemeenteraad van Delfzijl het bestemmingsplan “Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding” vastgesteld. Bij besluit van 12 september 2017 heeft het college van Delfzijl een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van het windpark. Tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning is beroep ingesteld.

Sfeerwoningen: technische, organisatorische of functionele binding met windpark

Woningen die tot een inrichting – het windpark – behoren, worden niet als gevoelige gebouwen aangemerkt voor de aspecten geluid en slagschaduw. In het bestemmingsplan zijn een aantal woningen in de omgeving van het windpark aangeduid als sfeerwoningen. De gemeenteraad van Delfzijl heeft zich op het standpunt gesteld dat de woningen die in het bestemmingsplan zijn aangeduid als sfeerwoningen, behoren tot de inrichting die het windpark vormt. Niet in geschil staat dat ter plaatse van de woningen niet kan worden voldaan aan de normen die in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling voor geluid en slagschaduw zijn opgenomen.

Ter ondersteuning van het standpunt dat de woningen onderdeel zijn van de inrichting, hebben de initiatiefnemers van het windpark een aantal overeenkomsten overgelegd. Daaruit blijkt dat vanuit de 17 sfeerwoningen toezicht zal worden gehouden op de windturbines. Dat toezicht kan volgens deze overeenkomsten ook bestaan uit visueel toezicht in geval van een calamiteit, het slecht functioneren van de windturbines, maar ook het voorkomen van het betreden van het terrein van het windpark door onbevoegde personen.

Initiatiefnemer heeft aangevoerd dat zij het toezicht vanuit de woningen nodig acht vanwege de hoogte van de windturbines en de omstandigheid dat deze verspreid en op grote afstand van elkaar in het plangebied zullen worden opgericht. Ook is volgens haar toezicht vanuit verschillende gezichtspunten op een afzonderlijke windturbine vereist. Verder heeft initiatiefnemer aangevoerd dat er in deze regio veel weerstand is tegen windturbines, waardoor het risico op vandalisme groot is. Cameratoezicht op afstand is volgens initiatiefnemer niet toereikend, omdat in dat geval minder snel kan worden gehandeld.

De Afdeling overweegt of de sfeerwoningen wel onderdeel zijn van de inrichting. Hiervoor moeten op grond van artikel 1.1 Wet milieubeheer voldoende technische, organisatorische of functionele bindingen tussen de woning en de inrichting. Dat is nog niet verrassend, zo blijkt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2018. Die bindingen tussen de woning en het windpark dienen reëel en van voldoende betekenis te zijn.

De Afdeling maakt onderscheid tussen sfeerwoningen die in eigendom zijn van een grondeigenaar en/of initiatiefnemer en sfeerwoningen die dat niet zijn. Over deze laatste groep woningen oordeelt de Afdeling dat enkel het uitoefenen van toezicht uit deze woningen onvoldoende is voor de conclusie dat de bindingen tussen de woningen en het windpark zodanig zijn dat deze tot de inrichting gerekend kunnen worden.

Andere woningen zijn in eigendom van eigenaren van gronden waarop één of meer windturbines worden gerealiseerd en/of in eigendom van een initiatiefnemer. Niet al deze grondeigenaren en initiatiefnemers wonen in deze woningen of zijn ter plaatse gevestigd. Volgens de initiatiefnemers van het windpark is met de overeenkomsten verzekerd dat de bewoners van de woningen het toezicht op de windturbines zullen uitoefenen. De Afdeling is ook hier helder: het enkele feit dat voor de woningen een overeenkomst bestaat waarin is bepaald dat toezicht wordt uitgeoefend door de bewoners, is onvoldoende voor de conclusie dat technische, organisatorische of functionele bindingen bestaan tussen die woningen en de inrichting. Ook voor de woningen die wel in eigendom zijn van de initiatiefnemers en/of grondeigenaar, is volgens de Afdeling  dus onvoldoende aannemelijk dat die bindingen er zijn.

Ook de verhouding tussen het aantal windturbines en het aantal bedrijfswoningen is volgens de Afdeling van belang. Volgens de initiatiefnemers moet het toezicht op de zestien windturbines, vanwege de hoogte en verspreiding van de windturbines, worden uitgevoerd door zeventien woningen. Dit is volgens de Afdeling echter onvoldoende toereikend om aan te nemen dat daardoor sprake is van reële bindingen tussen de woningen en de inrichting. De Afdeling vindt het aannemelijk dat vanuit een woning op meerdere afzonderlijke windturbines tegelijk toezicht kan worden uitgevoerd.

Lessen voor de praktijk!

De Afdeling laat in deze uitspraak duidelijk zien dat het nog niet zo makkelijk is om technische, organisatorische of functionele bindingen tussen een woning en een windpark aan te tonen. Het enkele feit dat bestemmingen zijn aangeduid als ‘sfeerwoningen’ en dat voor die woningen een overeenkomst geldt waaruit volgt dat toezicht wordt gehouden op de windturbines, is onvoldoende om de vereiste binding aan te tonen. Het is daarom belangrijk dat initiatiefnemers en het betreffende bevoegd gezag goed motiveren waarom sprake is van binding tussen de woningen en de inrichting.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018.