Op 19 december 2018 heeft de Afdeling de knoop doorgehakt: Windpark Zeewolde mag er komen. Groot struikelblok in deze zaak was het vraagstuk omtrent de verdeling van schaarse publieke rechten. In februari heeft de Afdeling de staatsraad advocaat-generaal om een conclusie gevraagd in de zaak over het rijksinpassingsplan ‘Windpark Zeewolde’. De Afdeling verzocht de staatsraad advocaat-generaal om in te gaan op o.a. de vraag of bij ruimtelijke plannen schaarse publieke rechten worden verdeeld. Op 19 december 2018 heeft de Afdeling uitspraak gedaan. 

Project Windpark Zeewolde

 Op grond van het rijksinpassingsplan ‘Windpark Zeewolde’ (verder: het RIP) worden 91 nieuwe windturbines mogelijk gemaakt. Daarnaast voorziet het project in de sanering van 221 bestaande windturbines. In het Regioplan (een provinciale en gemeentelijke structuurvisie in de zin van de Wro) wordt het uitgangspunt gehanteerd dat sprake zal zijn van één initiatiefnemer. De omgevingsvergunning voor de uitvoering van het project is verleend aan één partij: Windpark Zeewolde B.V. Appellanten voerden aan dat, nu slechts één partij de uitvoering van het project zal verzorgen, sprake is van schaarse publieke rechten. Bij de verdeling van schaarse rechten moet het bestuur potentiële gegadigden de mogelijkheid bieden om mee te dingen naar de vergunningen. Volgens de appellanten is de procedure niet transparant verlopen, en zijn zij niet in de gelegenheid gesteld om het project (al dan niet gedeeltelijk) uit te voeren. De Afdeling verzocht de staatsraad advocaat-generaal om in te gaan op de vraag of bij een ruimtelijke plan schaarse publieke rechten worden verdeeld.

 De conclusie van de staatsraad advocaat-generaal

 Op 6 juni jl. heeft de staatsraad advocaat-generaal zijn conclusie uitgebracht. Zie hierover ook onze vorige blog. Volgens de staatsraad advocaat-generaal verdelen bestemmingsplannen, provinciale of rijksinpassingsplannen en provinciale ruimtelijke verordeningen geen schaarse rechten. Ook omgevingsvergunningen verdelen geen schaarse rechten. Omgevingsvergunningen kunnen in beginsel immers enkel worden aangevraagd door degene die over de betreffende grond kan beschikken. Hierdoor kunnen er in beginsel ook niet meer gegadigden dan vergunningen zijn.

 De uitspraak van de Afdeling: het RIP creëert geen schaarste!

 De Afdeling overweegt dat in het RIP de bestemming met een bouwvlak voor een windturbine is toegekend aan 91 locaties, welke in hand waren van verschillende eigenaren. Verder is in het RIP bepaald dat slechts een omgevingsvergunning om te bouwen kan worden verleend, indien bij de aanvraag is aangetoond dat de te saneren windturbines op de genoemde data zijn verwijderd. De windturbines die moeten worden gesaneerd staan op gronden van verschillende eigenaren. De Afdeling concludeert uit het voorgaande dat de uitvoering van het project door meerdere partijen wellicht niet eenvoudig zal zijn, maar dat uitvoering van het project door meerdere partijen op grond van het RIP niet wordt uitgesloten of verboden. Ook bevat het RIP geen beperkingen voor de mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor de bouw van de planologisch mogelijk gemaakte windturbines te verkrijgen. Het RIP creëert dan ook geen schaarste, aldus de Afdeling. Nu in het RIP niet is bepaald dat één initiatiefnemer het plan zal uitvoeren, overweegt de Afdeling dat in de onderhavige procedure geen ruimte is om ook het Regioplan te beoordelen, waarin het uitgangspunt wordt gehanteerd dat sprake zal zijn van één initiatiefnemer.

Het Regioplan maakt, aldus de Afdeling, geen deel uit van het toetsingskader voor de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarmee komt aan het Regioplan en het daarin neergelegde uitgangspunt van één initiatiefnemer in het kader van de omgevingsvergunning ook geen betekenis toe. De omgevingsvergunning voorziet evenmin in de toedeling van een schaars recht.

Voor de volledige uitspraak, zie Afdeling Bestuursrechtspraak 19 december 2018.