De schrapping van de gasaansluitplicht vormt een mijlpaal op weg naar een duurzame, CO2-neutrale energievoorziening; we nemen afscheid van aardgas als energiebron voor de gebouwde omgeving. Maar we zijn er nog lang niet. We moeten nu over op andere – duurzame – warmtebronnen. Bij de keuze wélke, is het regulatoire kader voor de warmtesector een belangrijke factor. Investeringen in de warmtetransitie zijn – mede – afhankelijk van de ruimte en stabiliteit van dit kader.

De versnipperde warmtesector

In vergelijking met de tamelijk uniforme gas- en elektriciteitssectoren bestaat binnen de warmtesector grote verscheidenheid.

Bijvoorbeeld in warmtebronnen. Waar door het Nederlandse gasnet slechts hoog- of laagcalorisch gas vloeit, worden warmtenetten gevoed vanuit diverse bronnen, zoals– ook wel gasgestookte – warmtecentrales, industriële restwarmte, aardwarmte (geothermie) en omgevingswarmte (uit de lucht of een ondergrondse warmtekoudeopslag (WKO)).

Ook is warmte in grotere mate dan de traditionele gasvoorziening afhankelijk van planologische, geologische en economische factoren. Zo verdwijnt warmte in de omgeving, waardoor het zich maar over beperkte afstanden laat transporteren. Of een wijk kan aansluiten op – bijvoorbeeld – een aardwarmtebron is vaak afhankelijk van geologische factoren. Voor het gebruik van geschikte industriële restwarmtebronnen is de aanwezigheid daarvan in de buurt weer relevant. De warmtesector lijkt kortom wat versnipperd.

De businesscase van warmteprojecten

Minstens zo belangrijk zijn de economische factoren. Private partijen willen natuurlijk een positief rendement maken. Voor de overheid die via subsidies of fiscale faciliteiten gemeenschapsgeld in warmteprojecten pompt, of die aanbesteedt, is dit natuurlijk evenzeer wezenlijk. Daarbij is goede organisatie en structurering van de warmtesector essentieel voor een goed functionerende warmtemarkt.

Daarvoor is stabiele wet- en regelgeving nodig die nodige ruimte schept voor groei en ontwikkeling. En als die te vaak te rigoureus wijzigt kan dat investeringen afremmen.

Regulering van de warmtesector

De Warmtewet reguleert de warmtesector en is verder uitgewerkt in het Warmtebesluit en de Warmteregeling. Deze regels beogen de balans tussen de dominante leverancier en de kwetsbare, kleine verbruiker te bewaken en zijn – mede – noodzakelijk voor de ordening van de warmtesector. In theorie heeft de Warmtewet een overzichtelijk bereik, namelijk alle vormen van warmtelevering aan kleine verbruikers. Maar omdat warmteprojecten vaak zoveel van elkaar verschillen, er zulke grote verschillen zijn tussen warmteprojecten, kan het uniforme kader van de Warmtewet knellen. Zo gold tot dusver een uniform maximumtarief voor levering van warmte aan kleinverbruikers. De opbouw van dat tarief (een vast en een variabel deel) sloot niet altijd aan op de businesscase van bepaalde warmteprojecten, bijvoorbeeld ingeval van – gecombineerde – warmte- en koudelevering via een bronnet. Want welk deel van het tarief ziet dan op warmte en welk op – niet gereguleerde – koude? De wijziging van de Warmtewet creëert mede op dit onderdeel meer ruimte.

Zo helpt de Warmtewet in het licht van de energietransitie de energievoorziening te verduurzamen.

Stimulering marktwerking en verduurzaming als pijler van de Warmtewet

Om deze verduurzaming te bereiken, zal er ook ruimte moeten komen voor productie van duurzame warmte. Echter, omdat warmtenetten vaak relatief beperkt in omvang zijn en de marge op warmteproductie en –levering niet altijd groot is, is er vaak weinig ruimte om een alternatieve warmteproducent toegang te verlenen tot het warmtenet.

De recente wijziging van de Warmtewet geeft warmteproducenten nu echter ook het recht om te onderhandelen over toegang tot het warmtenet. Dit lijkt echter nog niet veel extra ruimte te creëren. De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft zijn voornemen aangekondigd de Warmtewet binnen afzienbare tijd nogmaals te wijzigen om zo te komen tot een betere marktordening en gereguleerde toegang tot het warmtenet met een – onafhankelijke – netbeheerder, zoals in de gas- en elektriciteitssectoren. Wellicht krijgt duurzame warmte dan voorrang boven conventionele. Dit zou de verduurzamen van de energievoorziening kunnen steunen en tegelijkertijd kansen kunnen bieden voor investeringen in duurzame warmteprojecten.

Tot slot

De warmtesector is sterk in ontwikkeling. Het aandeel van warmtenetten in de energiedistributie is nog bescheiden, maar kan snel groeien tegen de achtergrond van de energietransitie. Dat biedt kansen voor investeringen.

Het regelgevend kader moet voor investeringen stabiel zijn en overigens flexibel. Met de recente wijziging van de Warmtewet heeft de wetgever een eerste stap gezet om aan die voorwaarden te voldoen: de Warmtewet biedt een duidelijke structuur met uniforme kaders en tegelijkertijd ruimte voor afwijking en differentiatie om de grote variatie in soorten warmteprojecten te faciliteren. De minister heeft bovendien plannen voor nieuwe wijzigingen van de Warmtewet die de toegang voor nieuwe toetreders verbeteren en heeft ook al gesuggereerd op langere termijn een ‘recht op warmte’ te introduceren. Daarmee zouden eindgebruikers aanspraak kunnen maken op een aansluiting op een elektriciteitsnet of een warmtenet, net zoals eenieder nu een recht heeft op aansluiting op een elektriciteitsnet. Er zijn dus volop kansen voor de warmtesector. En dat moet wel. Duurzame warmtevoorziening is immers een essentieel ingrediënt voor het welslagen van de energietransitie!