Home Kennis Blogreeks Klimaatakkoord: sectortafel Industrie

Blogreeks Klimaatakkoord: sectortafel Industrie

17 juli 2018
Edward Brans
,
Lianne Barnhoorn
,
Marije van Mannekes
,
Aart Jan van der Ven
en
Meryem Eddini

Dit is het vijfde deel van onze blogreeks over het Voorstel voor hoofdlijnen van het nationale Klimaatakkoord. In deze reeks bespreken wij verschillende onderwerpen uit dit voorstel. In dit bericht staan de plannen van de sectortafel Industrie centraal.

De afgelopen jaren zijn door de Nederlandse industrie al maatregelen genomen om de emissie van broeikasgassen te reduceren. De maatregelen hebben ook al resultaat gehad. Om de Parijse klimaatdoelen te halen wordt de industrie gevraagd om in de periode tot 2030 nog eens 14,3 Mton emissiereductie te realiseren om zo tot een totale uitstoot van 35,7 Mton te komen. De ambitie voor 2050 is een uitstoot van nagenoeg nul. De makkelijke opties om hiertoe te komen zijn reeds gerealiseerd. Nu volgen de lastigere en de duurdere maatregelen. Welk beleid is daarvoor nodig?

Investeringen als uitgangspunt

Een succesvolle transitie vergt forse investeringen voor de Nederlandse industrie. De voorlopige inschatting is €15 tot 20 miljard tot 2030. Deze investeringen zijn vanwege de baten voor het klimaat weliswaar vanuit maatschappelijk oogpunt kosteneffectief, maar vooralsnog relatief risicovol vanuit industrieperspectief. Daarbij speelt een rol dat veel van de voor de transitie noodzakelijke technologieën nog niet grootschalig beschikbaar zijn en daarom ook lastig op kosten zijn te begroten. Daarom wordt de overheid niet alleen opgeroepen om te voorzien in een stabiel wettelijk kader en een stabiel meerjarig beleid dat uitnodigt tot lange termijninvesteringen, ook wordt in de aanloop naar 2030 een overheidsbijdrage van € 550 miljoen à 1000 miljoen per jaar gevraagd.

De maatregelen waarin in eerste instantie zal worden geïnvesteerd, richten zich op energie-efficiency, stimulering van elektrificatie in de industrie en waar nodig carbon capture and storage (CO2-afvang en opslag, CCS). Deze laatste toepassing dient als tussenstap in de transitie, maar ook als een opmaat naar het afvangen en het hergebruiken van koolstof in de circulaire economie (carbon capture and usage, CCU). De industrie benadrukt daarbij begrip te hebben voor de maatschappelijke zorgen omtrent het nut, de noodzaak en de risico’s van de inzet van CCS. Toepassing van CCS mag de verduurzaming van de industrie in elk geval niet in de weg staan. Na 2030 zullen technologieën zoals groene waterstof, CCU, bioraffinage en warmtepompen in de investeringen een belangrijke rol gaan spelen. Waar mogelijk en na innovatie en pilots, kunnen deze technologieën al voor 2030 daadwerkelijk ingezet gaan worden.

Level playing field

De gestelde doelstellingen voor de Nederlandse industrie zijn mogelijk omvangrijker dan de doelstellingen voor deze sector in andere landen. Dit kan gevolgen hebben voor de internationale concurrentiepositie van Nederland. Ook dit aspect rechtvaardigt volgens de sectortafel een vergoeding door de overheid van de onrendabele kosten die met de investeringen gemoeid zijn. Door actief in te zetten op overeenkomsten met andere landen, kan dit ‘level playing field’ ten gunste veranderen. Wanneer de programmatische aanpak behorende bij de indicatieve doelstelling van 14,3 Mton emissiereductie in de komende jaren onvoldoende resultaat dreigt op te leveren, zou de Industrietafel graag zien dat de overheid voor partijen die onvoldoende bijdragen aanvullende maatregelen introduceert, voor zover deze maatregelen passen binnen het level playing field.

Maatregelen

Nu de optimale aanpak per regio zal verschillen, vraagt een succesvolle transitie om maatwerk en gebied-specifieke maatregelen. Tegelijkertijd zijn in de industrietransitie een aantal hoofdthema’s te onderscheiden.

Bijvoorbeeld proces efficiency in het warmtegebruik. Naast vervanging van hoge temperaturen door energie-efficiëntere methoden (onder meer membranen, centrifuges, warmtepompen en warmteboilers), staat hierbij hergebruik van restwarmte centraal. Zo kan stoom vanuit de industrie of warmte vanuit de glastuinbouw ingezet worden voor het verwarmen van woonwijken.

Ook is de bedoeling dat fabrieken voor hun energiebehoefte grondstoffen gaan halen uit onder meer elektriciteit, biomassa, CO2, geothermie, (groene) waterstof en reststromen en –gassen. Nu het aanbod van groene waterstof nauw samenhangt met de ontwikkeling van duurzaam geproduceerde elektriciteit, deelt de Industrietafel met de Elektriciteitstafel de ambitie om tot een programmatische aanpak voor waterstof te komen.