Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland had de raad van de gemeente Amsterdam een reactieve aanwijzing gegeven omdat de raad een bestemmingsplan had vastgesteld dat voorziet in de realisatie van drie nieuwe windturbines. Dat is in strijd met artikel 32, eerste lid, van de Provinciale Verordening Ruimte (hierna: PRV).

De reactieve aanwijzing

Het draait in deze zaak om het bestemmingsplan “Eerste partiële herziening Cornelis Douwesterrein II (windturbines)”. Het plan voorziet in de realisatie van drie nieuwe windturbines, naast een reeds bestaande windturbine. De reactieve aanwijzing strekt ertoe dat de in de planregels opgenomen mogelijkheden om de drie windturbines op te richten en de turbines op te schalen, geen deel blijven uitmaken van het plan.

Beroepsgronden

Tegen de reactieve aanwijzing hebben de gemeente Amsterdam en de Coöperaties NDSM Energie U.A. en Onze Amsterdam Noord Energie U.A. beroep ingesteld. Daartoe voeren zij aan dat het college van gedeputeerde staten het verbod op windmolens in artikel 32 van de PRV buiten toepassing had moeten laten, omdat deze bepaling in strijd is met artikel 4.1, eerste lid, van de Wro en met algemene rechtsbeginselen, zoals het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens de gemeente Amsterdam en de Coöperatie doet een algeheel verbod geen recht aan de diversiteit van de landschappen in Noord-Holland. Zij vinden het Cornelis Douwesterrein, een industrieel gebied met veel hoogbouw, juist een zeer geschikte locatie voor windturbines. Bovendien bestaat er een groot maatschappelijk draagvlak voor windturbines op dat terrein. Ook zou de reactieve aanwijzing in strijd zijn met de prestatieafspraken die met het Rijk zijn gemaakt, omdat hierdoor niet wordt bijgedragen aan de taakstelling van 685,5 MW voor de provincie Noord-Holland.

Verweer provincie

De provincie Noord-Holland hanteert een restrictief windbeleid, omdat het maatschappelijk draagvlak voor windenergie op land onder druk staat. De provincie heeft een beperkt gebied voor de uitbreiding van windenergie aangewezen – de Wieringermeer – om de openheid en ruimtelijke kwaliteit van het Noord-Hollandse landschap te behouden. Buiten de Wieringermeer staat de provincie alleen windparken toe in lijnopstellingen van minimaal zes windturbines waarbij bestaande solitaire windturbines dan wel verouderde lijnopstellingen worden gesaneerd. Het bestemmingsplan voor het Cornelis Douwesterrein in Amsterdam voldoet daar niet aan.

Oordeel Afdeling

De Afdeling oordeelt dat artikel 32 van de PRV, anders dan de gemeente Amsterdam betoogt, geen absoluut verbod op het oprichten van windturbines buiten de Wieringermeer bevat. Lijnopstellingen van minimaal zes windturbines zijn onder voorwaarden (in ieder geval: sanering van bestaande solitaire turbines of verouderde lijnopstellingen) immers mogelijk. Het is dus niet uitgesloten dat op het Cornelis Douwesterrein windturbines gerealiseerd zouden kunnen worden. Daartoe moet dan wel worden voldaan aan de herstructureringsregeling van het nog in werking te treden vierde lid van artikel 32 van de PRV.

Dat met het initiatief op het Cornelis Douwesterrein en het daarbij horende specifieke landschapstype onvoldoende rekening is gehouden bij de vaststelling van artikel 32 van de PRV is volgens de Afdeling niet juist, aangezien een groot aantal partijen, waaronder de gemeente Amsterdam, de provincie daar destijds op gewezen heeft.

De Afdeling overweegt verder dat het bestaan van maatschappelijk draagvlak voor windturbines op het Cornelis Douwesterrein de beoordeling van provinciale staten niet anders heeft hoeven maken, omdat zij het provinciaal belang dienen te behartigen en niet slechts het belang van de gemeente Amsterdam.

Ten aanzien van de provinciale taakstelling van 685,5 MW heeft de provincie toegelicht dat ongeveer de helft daarvan reeds is gerealiseerd. De andere helft kan worden gerealiseerd binnen de Wieringermeer en daarbuiten (circa 76 MW) op basis van de in artikel 32, zevende lid, van de PRV opgenomen overgangsregeling en de nog in werking te treden herstructeringsregeling van het vierde lid. De Afdeling ziet gelet op die toelichting geen grond voor het oordeel dat door het geven van de reactieve aanwijzing niet aan de prestatieafspraken met het Rijk kan worden voldaan.

De Afdeling verklaart de beroepen ongegrond.

Bron: AbRvS 9 december 2015, nr. 201405510/1/R1.